There was an error in this gadget

INFO en vondsten uit Gaasterland PREHISTORIE

Gaasterland, een streek in Zuid Friesland, aangegeven met een rode stip op de kaart van de Benelux (afbeelding in copyright van Wiki commons)



Gedurende 2013 werden diverse veld prospecties uitgevoerd en is informatie verzameld omtrent de ondiepe geologie van bepaalde deelgebieden in Gaasterland. Voorheen werd gepubliceerd op het weblog "Yn Gaasterlan", welk blog vanwege ruimtegebrek bij Google* helaas is komen te vervallen. Een groot aantal vondsten en artikelen uit Gaasterland worden hier gedeeld, zodat dit deze informatie alsnog toegankelijk blijft.Vondsten zijn eventueel ook beschikbaar voor educatieve doeleinden.
Deze pagina bestaat uit verschillende artikelen en ook is in 2013 op beperkte schaal een cursus ontwikkelt voor diegenen die geïnteresseerd zijn in de archeologie van Gaasterland, waarvan enkele delen zijn behandeld. De leesteksten staan op deze pagina weergegeven.  Het copyright is vrij door het laten vervallen van een groot aantal afbeeldingen.

* Google biedt maximaal ca 10 GB als opslagruimte, inclusief Google Drive /Email. Voor één account is dit voldoende, wanneer hier slechts voor  één verzameling met bijbehorende artikelen en informatie zou worden gebruikt. Door de enorme hoeveelheid vondsten uit Zuid-Limburg + archief was het niet mogelijk voldoende ruimte te verkrijgen waarop alle vondsten gepresenteerd zouden kunnen worden, waardoor het weblog Yn Gaasterlan is komen te vervallen.

================================================================
Een korte inleiding in de prehistorie van Gaasterland t.b.v. veldprospecties van de Werkgroep Archeologie van het Archeologysk Wurkverbân Gaasterlân door  L. Jimmy Groen,
Inleiding
De kennis over de prehistorie van Gaasterland is erg gefragmenteerd. Dit komt enerzijds door een gebrek aan mogelijkheden tot het verkrijgen van de kennis uit veld-prospecties, vanwege de bijzondere geologische situatie in Gaasterland, waarbij sporen uit de prehistorie zich dikwijls op grote diepte bevinden. Immers,  de bovenlaag van Gaasterland bestaat uit lagen dekzand, welke in de  loop der eeuwen regelmatig zijn verstoven, zodat mogelijke sporen zich op grotere diepte bevinden.   Anderzijds is het Gaasterland  ook niet continue bewoond geweest: tijdens grote delen van bijvoorbeeld het Neolithicum en de Late Bronstijd zal het Gaasterland praktisch onbewoond zijn geweest, vanwege de aanwezigheid  van uitgestrekte  veenmoerassen,  die  het gebied voor een groot deel ontoegankelijk maakten.  Het doen van veld-prospecties, met als doel het vergroten van kennis over de prehistorie kan zinvol zijn, wanneer we daarbij wel bedenken, dat  we misschien met vrij weinig al genoegen moeten nemen. In dit geval geldt: elk beetje nieuwe informatie, verkregen uit  gerichte veld- prospecties,  is informatie die de kennis over de bewoningsgeschiedenis  van Gaasterland vergroot. Vele uren zullen in het veld moeten worden doorgebracht, waarbij een bepaalde basiskennis omtrent bodem en te verwachten materiaal heel nuttig kan zijn.  Daartoe is deze inleiding geschreven. In het glossarium onderaan dit artikel worden de in de tekst onderstreepte woorden kort verduidelijkt,  waarbij  de  archeologische perioden in een tijdbalk van het bedrijf RAAP  worden weergegeven.
Een beetje geologie
Gaasterland is een eeuwenoud landschap. De diepere ondergrond, bestaande uit formaties uit Carboon, Krijt en het latere Mioceen en Plioceen,  gevormd voor het Kwartair (ca. 2,5 miljoen jaar geleden)  is voor veld-prospecties in dit deel van Nederland niet van belang.  In deze korte inleiding beperken we ons tot  de periode vanaf de voorlaatste glaciale periode, (het Saalien, ca. 150.000  jaar geleden.) De grote vormen van het Gaasterlandse  landschap zijn gevormd in een langdurige koude periode “een glaciale periode”  van de ijstijd,  waarbij uit  Scandinavië afkomstig landijs,  welke een dikte van tot wel vele honderden meters kon bereiken, de bodem voor zich uit stuwde en deze in gelaagde vorm voor zich uitschoof.  Een dergelijke bedekking met landijs heeft in Gaasterland  tenminste tweemaal plaatsgevonden, in het Elsterien en het Saalien.
Tijdens het bewegen van deze  enorme ijsbedekking,  werden in de onderste lagen, onder het gewicht van het ijs, veel zand, leem en stenen meegevoerd uit het gebied waarin het ijs afkomstig was, namelijk uit Denemarken en Zuid- Zweden.  Meegevoerde stenen werden door het bewegende landijs vermalen, en gemengd met  (steeds afsmeltende) modder en zo ontstond er het kleileem, een ondoordringbare laag  in de bodem. De  in Denemarken en Zuid-Zweden aanwezige zachtere kalklagen uit respectievelijk de  Krijt periode en het latere Tertiair  losten gedeeltelijk op, waardoor het harde vuursteen overbleef en met het landijs naar onze streken werd meegevoerd.  In Gaasterland bleef een dik pakket van keileem over, tezamen met talloze zwerfstenen  en ontelbare  brokken vuursteen, alles afkomstig uit met name Denemarken.   Hierop werd  in de laatste koude periode, het Weichselien,  zeer licht zand , meest afkomstig uit het droog liggende Noordzee- bekken, in kleine laagjes door de wind afgezet, tot een dikte van maximaal 1 meter. Samen met de opgestuwde onderlaag  vormden de zandlagen een stuwwal, waarvan we er in Nederland meerdere vinden, zoals ook op de Veluwe.
 Gaasterland is gelegen rond en op de door het landijs gevormde stuwwal, welke plaatselijk bijna 13  meter hoog kan oplopen .  Ten  noorden van deze stuwwal  ontstonden na het smelten van het ijs zogenaamde  glaciale bekkens,  welke met smeltwater gevuld werden.  Een voorbeeld van zo’n oud glaciaal bekken is het langgerekte meer de  Fluessen. Sommige andere gevormde bekkens zijn door erosie  weer  onder de grond verdwenen en zijn nu onzichtbaar aan het oppervlak.
 In de koude perioden van de ijstijd lag de zeespiegel ongeveer 120 meter lager dan nu. Het  hoogste deel van Gaasterland in die periode lag dus op ca + 125 meter N.A.P., ongeveer zo hoog als de St. Pietersberg in Zuid Limburg nu is! Tijdens de lange koude perioden, die soms wel  tienduizend jaar kon duren, was de bodem ofwel nauwelijks bedekt met vegetatie (we spreken dan ook van een pool-woestijn) ofwel bedekt met dwergstruiken, zoals we die kennen  van de huidige  toendra  (met soorten als dwergberk (Betula nana) en poolwilg (Salix arctica).
Tijdens warmere perioden (zogenaamde interstadialen) in de ijstijd vond ook nog nauwelijks bodemvorming plaats ( vanwege de weinige begroeiing, maar ook omdat het te koud was om de bodem door bacteriën te laten omzetten), vandaar dat de zandpakketten, die eigenlijk laagje voor laagje bij een bepaalde heersende windrichting (meest west / noordwest)  zijn afgezet, vaak niet echt van elkaar te onderscheiden zijn.  Hooguit treffen we tussen de zandlaagjes een enkele millimeters dik laagje aan, dat duidt op een kortdurende warmere periode.  Het landijs  smolt tijdens de warmere perioden (interstadialen)  steeds weer af en groeide tijdens koudere fasen weer aan. Pas aan het einde van de ijstijd, ca 12.000 jaar geleden,  warmt het klimaat blijvend op. Dit had grote gevolgen voor de flora en de fauna. Ook in de bodem zien we de opwarming terug: er ontstaan bijvoorbeeld lagen met diverse soorten veenpaketten en er vind bodemvorming plaats, zodat we in een profiel nu duidelijke gelaagdheden zien. De lage dwergstruikjes werden al snel vervangen door wilgen en door de langzame opwarming konden ook berken zich vestigen op de uitgestrekte vlakten. Aanvankelijk vinden we de begroeiing nog bij het water van poelen, vennen en meren en langs de rivieren . In  het overige landschap vinden we nog  uitgestrekte grasvlakten met solitaire berken .
Wanneer de opwarming voortgaat, begint de zeespiegel te stijgen  en het vrijkomende smeltwater deed het droge Noordzeebekken vollopen, waardoor de kustlijn steeds verder oostwaarts opschoof. Dit had natuurlijk een drastische inperking van potentiële leef – en jachtgebieden tot gevolg.  De vegetatie verandert en na de komst van grove dennen, hazelaars en wilgen vestigen zich uiteindelijk linden en eiken in Gaasterland.  Gedurende de komende duizenden jaren wordt het klimaat steeds zachter, er breekt een langdurige  zachte periode aan die we het ‘Atlanticum’ noemen.   Aan het eind van het Atlanticum zien we op stagnerende bodems (zoals in Gaasterland op de ondoordringbare keileem-laag)  een flinke toename in veengroei. In het profiel van  de bodem  van de hogere delen van Gaasterland is er nog niet veel verandering zichtbaar, totdat de bodem voor het eerst wordt bewerkt: daarvoor worden bomen gerooid en kan er voor het eerst erosie optreden. Er ontstaat  nu bodemvorming, door het steeds toedienen van mest. De aanvankelijk lichtgekleurde zandbodem wordt donkerder, meest grijs tot zwart kleurig. In welke periode  dit  bewerken van de bodem in Gaasterland  voor het eerst is gebeurd is niet bekend, omdat we niet weten of de bewoners van de Trechterbekercultuur, die de steenkist bij Rijs hebben gebouwd,  ook in de buurt hebben gewoond. En zelfs wanneer deze in de buurt van de steenkist hebben gewoond, dan hebben we pech wanneer dat in het zuiden was: daar ligt nu het IJsselmeer en ervan vinden we niets terug.   Hoewel het  wel aannemelijk is dat de Trechterbekercultuur  voor eerst de bodem van Gaasterland bewerkte , komt  het vroegste bewijs  van echte aanvang van meer grootschalige ontginningen voor landbouw, uit  de vroege Middeleeuwen, vanaf ca 800 AD.
Wanneer teveel bossen zijn gekapt wordt de bodem gevoelig voor erosie. Erosie van de bodem zal dan ook hebben plaatsgevonden in de Volle en Late Middeleeuwen, wanneer door grootschalige houtkap  uitgestrekte  heidevelden ontstaan, welke door ondeskundig of overmatig plaggen tot stuifzandgebieden hebben geleid,  zoals bijvoorbeeld op de Veluwe pijnlijk zichtbaar is geworden met het verdwenen dorpje Kootwijk, dat uiteindelijk is ondergestoven. In Gaasterland vinden we opgeworpen walletjes van ca 1 meter hoogte, zogenaamde  “tuunwallen”, welke zijn aangelegd in de 17e en de 18e eeuw, wanneer de begrazing van heidegebieden werd gereguleerd door middel van vastomlijnde percelen. De wallen zijn opgebouwd uit plaggen en zand en zijn veelal beplant met doornige struiken als  rozen en meidoorns, waartussen eiken zijn aangeplant en spontane soorten als Gelderse Roos en Vlier tot ontwikkeling kwamen, zodat de tuunwallen tegenwoordig  als zeer waardevolle houtsingels in het landschap zichtbaar zijn.
Fig. 1: Profiel (W.-E.)  aan de zuidoostelijke zijde van het Rode Klif. Hoogte 3,50 m. Golfvormige storingsverschijnselen. Middenin van beneden naar boven: wit zand (Formatie van Eindhoven), bruin zand met nesten grijswit zand en verbroken leemlaagjes, grijsbruin zand (met gaten). Uit de grote zijn losgeraakte stenen gevallen, de kleinere gaten vormen de ingangen van nesten van oeverzwaluwen. Geheel bovenaan dekzand met bodemvorming. De groeve met het profiel is thans geheel verdwenen. Naar: J. Mooij 1985, Foto D. Jonker
Fig 2: Profiel aan het Oudemirdummerklif; hierin zien we duidelijk het oranjekleurige keileem  (dit  is keileem waarin ook klei voorkomt, uitermate geschikt voor pottenbakken!), dat plaatselijk met veel zwerfstenen is verrijkt. Zelfs  grotere zwerfstenen komen erin voor. Op dit  oranje gekleurde keileem zien we soms nog een geel gekleurde , lemige zandige bodem, Dergelijke meer gelige keileem vinden we ook vaak in de ondergrond wat verder van de huidige IJsselmeerkust.  Direct op de keileem vinden we een met leem vermengde zandlaag waarop het grijskleurige zand, dit is het Pleistocene dekzand waarin bodemvorming heeft plaatsgevonden – podzol bodems, of , dichter bij de bebouwing vinden we ook esdekken als gevolg van landbouwactiviteiten in het verleden.  Veelal treffen we tussen de grijzige esdek -lagen of de dekzandlagen en de keileem  een diepbruine laag met pikzwarte vlekken , waarin ijzer is geoxideerd.  De gaten zijn nesten van oeverzwaluwen.
Geologie en veldprospecties
Prospecties vinden vooral plaats op akkers, welke jaarlijks worden geploegd. Daarbij is het omhoog ploegen van artefacten afhankelijk van vele factoren. We moeten daarbij bijvoorbeeld denken aan de dikte van de dekzandlaag ( dus de diepte waarop de artefacten zich in situ bevinden) , de diepte die ingesteld is voor de ploeg  en bijvoorbeeld het  hellingpercentage  van de akker. Is deze laatste meer dan 3-5 % , dan zal eveneens erosie optreden, en mogelijk ook colluvium (= afschuiven van een deel van de bovenste laag) , die dan midden of zelfs onderaan het het aflopende vlak verder doorploegd wordt.  Deze erosie heeft voor- en nadelen voor prospecties. Voordeel is, dat op het deel waarde bodem is weg-geërodeerd een diepere laag waarin zich vondsten bevinden aan het oppervlak kan komen, zodat iets ‘ontdekt’kan worden. Nadeel  is, dat meestal alle of tenminste de meeste  zich in de bodem bevindende  grondsporen zijn vernietigd, zodat het ‘bodemarchief’onleesbaar is geworden. In dit geval geldt dan ook: vind je weinig artefacten aan het oppervlak en  zijn deze relatief verspreid, dan is zijn de grondsporen waaruit ze afkomstig zijn waarschijnlijk nog intact. Vind je daarentegen veel artefacten aan het oppervlak, dan is de onderliggende bodemlaag flink verstoord en is er waarschijnlijk van grondsporen niet veel terug te vinden. In zo’n laatste geval is een (nood -) opgraving dan ook meestal zinloos. De geologie van een gebied is dus belangrijk bij veld-prospecties: potentiële gebieden om te onderzoeken zijn afhankelijk van de periode waarnaar men zoekt. Dit onderzoeken is daarbij afhankelijk  van de bodem, want het is de bodem die bepalend is voor de
(pre-) historische locatie- keuze.  Dit heeft vanzelf alles te maken met de mogelijke nederzettingsgeschiedenis van een gebied. Omdat keileem- bodems slecht afwateren, zijn de bossen van Gaasterland doorsneden met greppels. Voor water en wortels is keileem vrijwel ondoordringbaar, vandaar dat in gebieden waar de keileem dicht onder het oppervlak  geen akkerbouw kon plaatsvinden; echter  zou je daar ook niet willen wonen, zo met steeds natte voeten. Vandaar dat de prehistorische mensen die gebieden van Gaasterland opzochten, die hoger waren gelegen, maar vooral, waar de keileem - laag voldoende diep lag en het zandpakket dik genoeg was voor een relatief goed afwaterende  bodem, om droog te wonen.
Welke archeologische perioden kunnen we verwachten in het Gaasterland? En welke locaties zijn dan geschikt?
  Het Paleolithicum is niet goed definieerbaar i.v.m.  allerlei  wijzigingen in het landschap, mogelijke prospectie-gebieden zijn  de randen  van glaciale bekkens en de stuwwal-randen met veel erosie, aansluitend op komvormige laagten (voorbeelden: tussen Oudemirdum en Nijemirdum, zuid van Wyldemerk)
  Laat –Paleolithicum:  oostrand glaciale bekkens (Kolderwolde,  Elahuizen);  oude brongebieden ( noordwest van de Luts)
  Mesolithicum: ‘relatieve’  hoogten nabij kleinschalige depressies  en mogelijke brongebieden  ( Warns, Bakhuizen,  Hemelum, Oudemirdum, Nijemirdum, Sondel);  oude beeklopen (Marderhoek, Hege Gerzen)
  Neolithicum:  ‘relatieve’ hoogten nabij brede dalvlakten omgeving Bakhuizen- Rijs – Harich; oude plateau’s
  Laat- Neolithicum/ Vroege Bronstijd: vooral  zandige hoogten (stuwwallen), maar ook de vroegere beekdalen
  IJzertijd: voormalige randen van dalvlakten en beekdalen,  zoals tussen Oudemirdum en Nijemirdum,brongebieden van de Luts, e.d.
  Romeinse periode/ Vroege middeleeuwen : randen van de hoogten, vanwaar de lager gelegen veengebieden ontgonnen werden (Oudemirdum, Bakhuizen, Sondel)
Bij het zoeken naar geschikte locaties moeten we in gedachten houden, dat de mensen in de prehistorie plaatsen zochten, waar ze  dus droge voeten zouden hebben,  de beschikking zouden  hebben  over voldoende natuurlijke bronnen (water, voedsel, energie) en we dienen hierbij ook rekening te houden met de positie ten opzichte van de zon (warmte in herfst en voorjaar; daglicht; windrichting). Vaak zijn de huidige woonkernen van bijvoorbeeld Oudemirdum en Bakhuizen ( droog gelegen hogere delen)  zeer geschikte prehistorische  vestiging- locaties geweest.  Mogelijke  sporen in deze oude dorpskernen zullen  helaas, vanwege de  intensieve bebouwing,  vrijwel uitgewist zijn.
 Het vastleggen van informatie over vindplaatsen is cruciaal voor de documentatie van vondsten. Het is niet nodig om met GPS vondsten in te meten, al kan dat voor heel bijzondere vondsten wel nuttig zijn.  Immers, er is uit onderzoek gebleken, dat vondsten op akkers wel tot 13 meter verspreid kunnen raken van de oorspronkelijke plaats waar ze zich in de prehistorie bevonden. Het is wel handig om een akker in bijvoorbeeld kwadranten in te delen  en bij eventuele vondsten aan te geven in welk kwadrant de vondsten zijn gevonden.


Bewoning van Gaasterland in de prehistorie: een kort overzicht.
Het verhaal over de bewoningsgeschiedenis van het Gaasterland is als een boek, waarin enkele  interessante verhalen worden afgewisseld met  vele  lege bladzijden, met lege hoofdstukken zelfs.
Niet in alle perioden was Gaasterland  namelijk een even aantrekkelijk gebied geweest voor permanente bewoning. De oorzaken hiervan kunnen gezocht worden in een arme bodem, een slechte afwatering en perioden van grote veengroei. We volgen in dit korte overzicht enkele belangrijke archeologische  perioden, om te zien hoe Gaasterland eruit zag , en waarom mensen Gaasterland bezochten.
Uit vondsten van gereedschappen van vuursteen uit het Paleolithicum weten we, dat de Neanderthaler Gaasterland heeft bezocht. Omdat het steeds gaat om incidentele vondsten, nemen we aan dat het niet gaat om langdurige bewoning, maar om kortstondig verblijf in de regio. Waarschijnlijk bezochten ze de open toendra die hier lag, voor de jacht  op grote zoogdieren, zoals wolharige neushoorns of  mammoeten.  Evenals  in andere delen van Nederland zijn er in het laatste deel van het Paleolithicum ( 35.000 – 15.000 v. C)  geen mensen geweest die hier hebben verbleven.  Pas met het einde van het Paleolithicum vinden we werktuigen van de Hamburg cultuur terug, bij Kolderwolde.  Het gaat om een klein atelier waar werktuigen van vuursteen zijn gemaakt en verschillende kleine sites. Dit laatste wijst er mogelijk op, dat ze regelmatig  zijn teruggekeerd..
In de periode die volgt, het Mesolithicum,  hebben kleine groepen jager- verzamelaars het Gaasterland bezocht. Hun kleine, meestal samengestelde werktuigen van vuursteen zijn o.a. terug gevonden bij Heechhiem nabij Oudemirdum,  bij Hemelum en op de keileem-bult van Warns.  Zij leefden in een vrijwel volledig  beboste omgeving, waarin zich kleine poelen en beekjes bevonden. In het Lyclamabos vinden we nog  één van de bos-typen die enigszins vergelijkbaar is met die van de Midden -Steentijd:  we vinden hier de combinatie van riet en grove den.  De vuurstenen werktuigen (microlieten) die we vanuit de Midden -Steentijd op akkers kunnen terugvinden zijn een reflectie van activiteiten in kleine jachtkampen.  Hier werd de jachtuitrusting bijgewerkt, werd klein wild ontleed en werden dagelijkse werkzaamheden uitgevoerd waarbij klein gereedschap van vuursteen noodzakelijk was om te snijden, prikken, boren, enz. Waarschijnlijk  waren  de  grote kampementen (basiskampen), waar ook de vrouwen en kinderen woonden,  meer naar het oosten gelegen, maar een groot basiskamp kan in theorie in Gaasterland nog worden ontdekt. 
De bekende steenkist van Rijs is van boeren van de Midden- Neolithische Trechterbeker cultuur.( ca 3600 v.C)Deze hebben een grafmonument gebouwd , dat lijkt op een hunebed, maar eigenlijk nog meer bijzonder is: het is een steenkist.  Het begraven van doden doe je niet in een vreemd gebied.  Zeer waarschijnlijk hebben de boeren in de buurt  van het Rijsterbos gewoond. Dat kan evenwel ook zijn op een locatie verder naar het zuiden, welke gelegen was in wat  nu het  IJsselmeer is. Als dat zo is, zullen we hun sporen niet meer terug vinden.
Aan het einde van het Neolithicum, op de overgang naar de vroege Bronstijd (ca 2200- 1900 v. C) wordt Gaasterland weer bezocht. Door mensen van de Klokbekercultuur.  Van deze cultuur zijn gids- artefacten gevonden: maar liefst 4 pijlspitsen zijn er al gevonden. Ook andere vuurstenen werktuigen die gevonden zijn in het Gaasterland behoren waarschijnlijk toe aan deze cultuur. Op de Hege Gerzen bij Oudemirdum is een plek, waar nogal wat vuurstenen afslagjes zijn gevonden. Bij deze afslagjes is een halffabricaat van een spits gevonden, een gids- artefact. welke uit het laat Neolithicum stamt. Ook hier zijn dus in het Laat-Neolithicum mensen geweest. Waarschijnlijk zelfs voor langere tijd, aangezien nogal wat vuursteen afslagen zijn gevonden.
Van de periode na het Laat-Neolithicum en de Vroege Bronstijd weten we eigenlijk niets. Het Gaasterland lijkt onbewoond tot de Late IJzertijd / Romeinse periode, ongeveer rond de jaartelling. Pas vanaf 800 krijgen we een beter beeld van de bewoningsgeschiedenis van Gaasterland: er is dus nog veel te ontdekken! 

 De mensen die Gaasterland bezochten in de prehistorie hebben  werktuigen ter plaatse gemaakt. Tot nu toe zijn nog geen werktuigen van  vuursteen uit andere streken gevonden ( zoals bijvoorbeeld zuidelijk vuursteen uit Limburg of België, of noordelijk vuursteen uit Denemarken).
Waarop te letten bij het zoeken in het veld?
Vuursteen- artefacten herkennen in het veld is vooral een kwestie van ervaring. Hoe meer je ervan gezien hebt, hoe beter je het herkent. Toch is voor het Gaasterland wel iets algemeens te zeggen. Vuursteen met hele grote glans is hoogst waarschijnlijk niet bewerkt. Een uitzondering zijn werktuigen van vuursteen uit het Paleolithicum, maar deze worden meestal niet veel gevonden. Een zekere glans zit echter wel aanwezig  op de vuursteen werktuigen van voor en tijdens  het Mesolithicum. In tegenstelling tot bijvoorbeeld   de prehistorische mensen in Zuid-Limburg had de prehistorische mens het Gaasterland  niet de beschikking over vuursteenmijnen, dus werd het vuursteen van geschikte plaatsen van het oppervlak verzameld.  Vuursteen, dat aan de oppervlakte ligt is gevoelig voor vorst, soms is dat ook zichtbaar aan de kleine scheurtjes op het vuursteen, maar vaak zitten de breuken binnenin.  Als je vuursteen bewerkt, wil je niet dat de steen plotseling  breekt,terwijl je er al lang aan hebt gewerkt,  dat is zonde van de moeite, vandaar dat een bepaald type vuursteen de voorkeur had.
De grootte van het te bewerken stuk (de knol) was dus beperkt. Immers, hele grote vuursteenknollen zijn door de ijsbedekking nauwelijks  achtergebleven. De prehistorische mens moest het dus meestal doen met kleinere brokjes.
De mensen in het Paleolithicum (Neanderthalers) liepen in een open gebied, waarin vuursteen nog vrij makkelijk overal te vinden was (bv. in smeltwater beekjes)
Voor de mensen in het Mesolithicum was het vinden van geschikt vuursteen al moeilijker. Zij moesten het hebben van plaatsen waar de bodem zichtbaar was, zoals op hellingen van beken,  aan oevers van meren en poelen, uit kuilen van omgewaaide bomen. Op deze wijze wisten ze, waar ze vuursteen konden vinden. Gelukkig voor hen, gebruikten ze geen grote werktuigen, zodat kleine vuursteen brokken al voldoende grondstof opleverden voor het maken van werktuigen. We moeten in het veld, als het even kan, dus ook kijken naar kleine schilfertjes. Want de steenbewerking in de het Mesolithicum was echt macroscopisch: bij Warns zijn micro- driehoeken gevonden, uit de het Mesolithicum, die slechts ca 1 cm lang waren.  De kleur van het door de prehistorische mens gebruikte vuursteen is variabel, maar de grijze kleur is in het Gaasterland  toch het meest toegepast. Ook het  geel tot oranje-  honing-  kleurige, veelal licht doorschijnende  vuursteen werd gebruikt, omdat dit goede breuk- eigenschappen heeft.
Tenslotte letten we op eventuele gelijkmatigheden. Kijk eens naar onderstaande foto van een lange kling, die mooi is bewerkt.We zien hoe regelmatig deze is bewerkt, hoe regelmatig de retouche doorloopt en hoe er op doorsnede een typische vorm ontstaat, waarin je de afgeslagen kling herkent.Vanzelfsprekend zijn heel veel artefacten niet zo mooi als deze en veel moeilijker te herkennen.



In het kort, een vuursteen  artefact...:
        ...onderscheidt zich van natuurlijke vormen door de aanwezigheid van een slagbult (-je), meestal met een litteken (A)
        ...heeft gelijkmatige slaggolven op de buikzijde (ventrale zijde ) (C)
        ...is meestal geretoucheerd op één of meerdere zijden
        ....kan ook bestaan uit afval (brokken, splinters), dat er helemaal niet mooi uitziet!
Glossarium
Atlanticum: klimatologisch tijdvak,  dat duurde van ca. 7200 – 3600 v. C. Er heerste een warm, nat klimaat met iets hogere gemiddelde jaartemperaturen dan tegenwoordig.  Al in het late Atlanticum zien we een plotseling stopzetten van de veengroei, waarschijnlijk kon de Trechterbekercultuur zich hierdoor in het Gaasterland gaan vestigen.
Bodemvorming:  het proces waarbij  onder invloed van afbraakprocessen  een bodem ontstaat uit verweerd materiaal, die in het profiel  zichtbaar is als een afgebakende laag.  Van invloed op bodemvorming zijn  het moedergesteente, de bodemgesteldheid, flora en fauna, het klimaat , de gepasseerde tijd en uiteindelijk menselijke invloeden. Zulke lagen zijn bijvoorbeeld  zichtbaar als veenlagen, esdek profielen of humuslagen. 
Elsterien: een langdurige koude periode, waarin het landijs Gaasterland bereikt heeft. In deze periode, van ca 465.000 – 415.000 jaar geleden, is het Gaasterland voor het eerst opgestuwd. De latere Saalen ijsbedekking heeft de stuwwal weer afgevlakt.
Esdek: een bodemvorm, ontstaan door het in gebruik nemen van zandgronden voor de akkerbouw, waarop steeds plaggen zijn aangebracht als grondverbeteraar, waardoor esdekken in de loop der eeuwen tot meters dikte kunnen zijn opgehoogd; deze essen lagen in de buurt van de in de Middeleeuwen ontstane dorpen. Andere namen voor ‘es’ zijn : eng, enk.
Glaciale bekken: dit is een laagte die omgeven is door stuwwallen. Het glaciale bekken is een depressie ontstaan door de erosie van het landijs. Wanneer het klimaat zachter werd stortten de randen van de stuwwallen eromheen in en  is het bekken volgelopen. De Fluessen laat goed zien hoe de stuwwal is ingestort: het zuidwestelijke deel, het dichtst bij de oorspronkelijke stuwwal gelegen is het ondiepst, namelijk slechts 1 meter 50 diep.
Glaciale periode: Een koude periode gedurende de lange periode van IJstijden, noemen we een glaciale periode. Voorbeelden zijn het Saalien en het Weichselien. Zulke perioden duurden vaak duizenden jaren achtereen, waarbij het niet tot ontwikkeling van bossen kon komen. Deze perioden werden vaak kortstondig onderbroken door een korte , warmere periode , die we interstadialen noemen
Hamburg cultuur: een cultuur die zich manifesteerde tussen ca 13.000 en 10.000 jaar v.C.. Deze rendierjagers trokken met de rendier kudden mee.Zij kenden nog niet de pijl en boog, en gebruikten nog speren voor de jacht.  Deze cultuur vonden we ook  naast in Nederland ook in  Noord-Duitsland en in Polen.
 In situ: in de archeologie gebruikte term voor de aanduiding van de oorspronkelijke plaats waarin archeologische voorwerpen zich in de bodem bevinden. Een opgeploegde vuursteen pijlspits, die wij aan het oppervlak vinden,  is dus ‘ex situ’ omdat deze uit zijn oorspronkelijke plaats  in de bodem is verwijderd door het ploegen.
Interstadiaal: een relatief warmere fase gedurende de koude perioden van de ijstijd. Bekende voorbeelden zijn het Allerød- en het Bølling- interstadiaal. Deze perioden duurden respectievelijk slechts 950 en 650 jaar. we zien dan ook dat de vegetatie zich in deze perioden heel anders ontwikkelt. Normaal ontstaat tijdens een interstadiaal een gemengd bos van grove den en berken, en, indien het interstadiaal langer duurt, zoals tijdens het Denekamp- interstadiaal ( 32.000 BP- 28.000 BP) konden zich zelfs elzen en eiken in ons land vestigen, zij het in geringe aantallen .
Jager- verzamelaars: culturen die in een bepaald territorium rondtrokken en daarbij leefden van jacht, visserij en het verzamelen van eetbare bessen, planten en knollen. Zij gingen vooraf aan de landbouwers, die eerst in 5400 v. C in ons land kwamen (Limburg)  en de Swifterbant- cultuur,  (ca 4600 v.C.) en sluiten daarmee de periode van het Mesolithicum af. De overgang van jager- verzamelaar naar lanbouwer is geleidelijk gegaan en gedeeltelijk bleven beide vormen nog een tijdlang naast elkaar bestaan. Nog beter zou zijn te spreken van jager- vissers- verzamelaars, omdat er natuurlijk ook veel gevist werd. 
Keileem: een mengsel van zand, keien en leem, ontstaan door de schurende werking van het gewicht van de enorme bewegende ijsmassa gedurende een koude fase van de ijstijd. We kennen trouwens meerdere soorten keileem, er is zelfs “Oudemirdumer keileem”.  Voor ons is het van belang, dat er twee kleuren bestaan, waarvan de meer donkere, oranje gekleurde keileem nauwelijks water doorlaat, omdat hier de hoeveelheid klei groter is dan bij het overige  keileem, dat meer gelig van kleur is.In de keileem- laag kunnen zich veldstenen (zwerfstenen) bevinden.
Klokbekercultuur: een laat-Neolithische cultuur, die aardewerk -bekers maakten in de vorm van een klok. Zij bevolkten delen van Noord -West Europa, tussen ca 2700 en 2100 v. C. en het is eigenlijk meer een complex van culturen, die bepaalde gebruiken hanteerden, zoals het begraven van doden in een kuil of lage grafheuvel. De spitsen zijn typisch en dienen als gids -artefact.
Landijs: we spreken van landijs, omdat een gletsjer in de zomer gedeeltelijk weg-dooit, en de ijskap gedurende het glaciaal intact bleef. Het ijs dat zich op zee vormde noemen we zee-ijs.
Microlieten: kleine vuurstenen werktuigjes, van een klein klingetje gemaakt. Microlieten hebben een kleine afmeting (kleiner dan ca 1,5-3 cm) en de klingetjes hebben een breedte van minder dan 1 cm. Kleine klingetjes zijn volgens een vaststaande techniek  gebroken zodat ze als pijlspits voor de pijl en boog konden dienen. Het spitsje mocht niet meer dan enkele grammen zwaar zijn. In de midden steentijd gebruikte men microlieten, maar ook andere micro werktuigjes
Podzol bodem: bodem  die kan ontstaan in leemarme, schrale zandgrond, waarin het dekzand is uitgespoeld en een asgrijs – kleurige  laag in een profiel zichtbaar wordt, waarin de onderste kleine laag donkerder van kleur is( bijna zwart)
Saalien: een koude periode – glaciaal-  waarin de landijsbedekking tot aan midden Nederland kwam. In deze koude periode is de stuwwal van Gaasterland gevormd. Ook de veldkeien en het vuursteen zijn in deze periode meegevoerd naar Gaasterland. Het Saalien duurde  van ca 238.000 – 128.000 jaar geleden. hierin zijn verschillende langere perioden te onderscheiden, waarin het soms warmer en soms kouder was.
Stuwwal: een stuwwal is ontstaan doordat het bewegende landijs de bodem voor zich uit  opstuwde. De lagen in een stuwwal liggen dan ook niet horizontaal meer, maar in diagonale richting.Stuwwallen in ons land zijn ontstaan in de koude periode van de ijstijd; daarna zijn ze gedeeltelijk geërodeerd zodat ze oorspronkelijk nog hoger zijn geweest.Een betere term voor een stuwwal is ‘stuw- morene’, omdat dit duidt op de positie van het landijs, namelijk op het uiteinde.
Trechterbekercultuur: Een cultuur, zo genoemd vanwege de typische vormen van het aardewerk dat zij gebruikten. Vondsten in de buurt van de oorspronkelijke locatie van de steenkist in het Rijsterbosch bij Rijs , hebben aangetoond dat de steenkist het werk was van mensen van de Trechterbekercultuur. Deze cultuur, die duurde van ca 4300  – ca 2700 v. C.  was verspreid over Noord- Nederland (boven de grote rivieren) , delen van Noord- Duitsland en Denemarken.
Weichselien: een langdurige glaciale periode (ca 115.000 – 11.600 jaar geleden), waarin tijdens lange koude perioden  veel zand uit het droog liggende Noordzee – bekken naar het Gaasterland is verstoven. Dit zand ligt op het keileem uit het Saalien. Het Weichselien kent ook een aantal relatief korte warmere perioden.

Referenties  / verder lezen
Berendsen, H.J. A.  (2005) Fysisch-geografisch onderzoek Uitgeverij Van Gorcum
Beuker, J.  ( 2010) Vuurstenen werkuigen - Technologie op het scherp van de snede Sidestone Press  (TIP!)
Bietti,A, et al. (2010)  La percussion sur enclume en Italie centrale Tyrrhénienne ;  Revue Archéolgoie préhistorique   p. 143-180 ( speciale uitgave over bipolaire techniek).
Doppert, J.W.Chr., G.H.J. Ruegg, C.J. van Staalduinen, W.H. Zagwijn & J.G. Zandstra, (1975) Formaties van het Kwartair en Boven-Tertiair in Nederland. In: Zagwijn, W.H. & C.J. van Staalduinen (red.), Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem: 11-56.
Driscoll, K ,  Menuge, J. ( 2011) Recognising burnt vein quartz artefacts in archaeological assemblages Journal of Archaeological Science 38 (2011) 2251e2260
Hoogendoorn, W., (2006) Zwerfsteneneiland Maarn en andere aardkundige monumenten. KNNV Uitgeverij
Mooij   J. (1985) Van eindmorenen tot stuwwallen,  Grondboor en Hamer 1985, pp 21-24
Odell, G.H.( 2004)  Lithic analysis , uitgeverij Springer ( TIP!)
Roper, D.C.  (1976)  Lateral Displacement of Artifacts Due to Plowing American Antiquity Vol. 41, No. 3 (Jul., 1976), pp. 372-375 Society for American Archaeology
Van den Berg, M.W. & D.J. Beets, (1987)  Saalian glacial deposits and morphology in The Netherlands. In: J.J.M. van der Meer (ed.), Tills and Glaciotectonics: 235-251.
Weertz, J & E, (2009) Oudemirdumerklif in Gaasterland. Grondboor & Hamer 2009 nr 2, p 34 tm 37.

Internet ( knip en plak de link in browser, of typ deze over )
Archeoweb: http://www.archeoweb.nl/
AWN Nederland Vereniging van vrijwilligers in de Archeologie http://www.awn-archeologie.nl/
Flintsource.net : over vuursteen in N.W. Europa http://www.flintsource.net/
IJstijdenmuseum Buitenpost : http://www.ijstijdenmuseum.nl/wb/
RAAP , archeologisch adviesburo;  geologisch- archeologische tijdschaal . http://www.raap.nl/
RCE, Archeologie thesaurus per gemeente, interactieve digitale kaart van vondstlocaties http://archeologie.erfgoedthesaurus.nl/

Yn Gaasterlân, regionale archeologie Gaasterland:weblog vervallen per 1 juni 2014; Google -accounts biedt helaas geen onbeperkte opslagruimte op internet.


Van de vijfdelige cursus Steentijd in Gaasterland  uit 2013 vindt U hieronder de leesteksten. Van deze cursus zijn ook dia presentaties gemaakt; een selectie van eigen foto's, diagrammen en schema's is opgenomen in de leesteksten. © 2013;  L. J. Groen .Voor niet-commerciële toepassingen in kleine kring kan dit document vrij worden gebruikt/vermenigvuldigd.

deel 1  “Inleiding in de archeologie van de steentijd”

    L.Jimmy Groen


Inleiding
De steentijd is een lange periode, van bijna twee en half miljoen jaar. Vanaf het eerste moment, wanneer een hominide (een mensachtige) is begonnen een werktuig van steen te gaan gebruiken, spreken we van het begin van de steentijd. Waarschijnlijk zijn ook werktuigen van been, hout en gewei al gebruikt geweest in de vroegste oudheid, maar hiervan is niets teruggevonden. Ook dieren gebruiken werktuigen1
Het einde van de steentijd is weliswaar gepasseerd, maar dit betekent geenszins, dat de bijbehorende levenswijze of bepaalde steentijd -technieken en een ‘prehistorische’ denkwereld niet meer op aarde zou bestaan, hiertoe leze men de diverse publicaties uit de culturele antropologie.2
In veraf gelegen beschavingen, zoals die af en toe summier tot ons doordringen in de Westerse wereld, zouden nog steeds mensen leven ‘als in het stenen tijdperk”. 3

Het begin van de beschaving
We bezien in deze cursus nogal uitgebreid het begin van de beschaving, omdat hierin ten volle duidelijk wordt, hoe de mens zich gedurende de steentijd heeft moeten aanpassen aan het landschap en daarin stap voor stap in staat is gebleken de omgeving meer en meer voor eigen doeleinden te gaan gebruiken.
Daarbij is het een wisselwerking geweest waarin aanpassing aan veranderde omstandigheden, zoals een ander klimaat, een andere omgeving met andere voedselbronnen, leidde tot een steeds groter wordend brein, wat zichtbaar is in de evolutie van de gebruikte techniek voor het maken van werktuigen gedurende de steentijd. Deze techniek vormt mede de basis van onze cultuur, hetgeen onze overlevingskansen als mensheid in de loop van duizenden jaren aanzienlijk heeft verhoogd. Dankzij deze cultuur zouden we kunnen zeggen dat we zo ver zijn gekomen als we nu zijn.
Immers, in de meegegeven cultuur, waarin de kennis van die techniek, van ideeën en voorstellingen steeds opnieuw is doorgegeven, ging de mens zich meer en meer onderscheiden van de dieren.
Deze evolutie in techniek noopte uiteindelijk de archeologie tot het maken van een aantal nogal grove, vaak ook arbitraire indelingen, die in de cursus uitgebreid aan bod zullen komen, omdat deze afbakening en indeling steeds weer verduidelijkt waarover we het hebben.
Concreet in het veld betekent dit, dat wanneer iemand tijdens een veld - prospectie roept: “hé, ik vind hier een mogelijke Midden- Paleolithische afslag”, iedereen direct zal begrijpen dat hier misschien een werktuig van een Neanderthaler is gevonden, waarmee we minimaal 30.000 jaar terug in de tijd gaan.

De vroegste beschaving
De vroegste beschaving (cultuur) van de mens is begonnen in Afrika, althans hiervan zijn vooral in de twintigste eeuw talloze bewijzen vastgesteld. Een hominide, die genoemd Homo habilis wordt , (=“de handige mens”), is zo’n 2,6 miljoen jaar geleden begonnen met het gericht vervaardigen van werktuigen., voor het slachten van dieren. Werktuigen van deze ouderdom zijn teruggevonden in Ethiopië en andere delen van Afrika. De samenhang tussen deze werktuigen en deze mensensoort is vastgesteld aan de hand van stenen werktuigen, die in dezelfde context (zelfde directe omgeving) met skeletdelen zijn gevonden.
Belangrijke ontdekkers van resten van dergelijke skeletdelen en schedels waren de Leakey’s (vader en moeder Louis en Mary Leakey en later hun zoon Richard). In de 20e eeuw hebben zij zeer belangrijke ontdekkingen gedaan in de Olduvai Gorge in Tanzania en bij Turkana in de Omo Vallei in Ethiopië.

Afbeelding: vervallen. 

Na deze Homo habilis, die van ca 2,3 tot 1,4 miljoen jaar geleden leefde, ontwikkelde zich een andere mensen -soort, de Homo erectus (“de rechtopgaande mens”), de meest succesvolle mensensoort op aarde: deze soort leefde maar liefst meer dan 1 miljoen jaar op aarde! ( ter vergelijking: onze soort, is nog ‘slechts’ 200.000 jaar op aarde).
Homo erectus maakte werktuigen van allerlei stenen, zoals rivierstenen, brokken lava en zelfs van brokken kalksteen. Stenen die op deze wijze bewerkt zijn, noemen we
Oldowan -werktuigen: door een rand van een steen af te slaan met een andere steen ontstond een scherpe rand, waarmee dieren geslacht konden worden.
In deel 3 van de cursus zullen we op dieper de techniek van deze stenen werktuigen ingaan, omdat dit de basis is van de techniek die is toegepast op alle werktuigen die we uit latere periodes vinden.

Afbeelding 2: de oudst bekende stenen werktuigen dateren van ca 2½ miljoen jaar geleden, en zijn gevonden bij Gona, Ethiopië. Afb: Sileshi Semaw ( 2010). Het afgebeelde werktuig is een Oldowan- type werktuig, welke ook in Europa gevonden worden; dan zijn ze echter ‘ten hoogste’ 1 miljoen jaar oud. Dit type werktuigen noemen we “Oldowan- werktuigen”wanneer ze in Afrika zijn gevonden.

Het is deze mensensoort H. erectus geweest, die om onduidelijke reden (overbevolking? klimaatsverandering?) uit Afrika vertrok en naar Azië en Europa is getrokken. In Europa verspreidde deze soort vanaf ca 1 miljoen jaar geleden zich meest langs rivieren. De bekendste vindplaatsen van deze vroege mensensoort in Europa zijn Atapuerca (Spanje), Tautavel (Spanje) Acheul ( Frankrijk), Heidelberg (Duitsland) en Pakefield (Engeland). In al deze plaatsen zijn ook musea te vinden vanwege de belangrijke ontdekkingen die hier gedaan zijn.

H. erectus gebruikte de rivieren als route om zich langs te verplaatsen.
Dit rivierenlandschap was een uitstekende trekroute voor soorten die zich in nieuwe gebieden gaan vestigen (ook dieren gebruiken rivieren als trekroutes) omdat een rivierenlandschap:
- ...een garantie bood voor het beschikbaar zijn van vers (drink-) water gedurende het hele jaar
- ...ruwe rivierstenen leverde om werktuigen van te vervaardigen
- ...een bepaalde zekerheid bood met betrekking tot voedselbronnen (vissen en reptielen, zoogdieren die komen drinken)
- ...een veelheid aan biotopen bevat, waarin allerlei eetbare planten groeien
- ...een rivier een duidelijk oriëntatiepunt is in een vreemd gebied.

Deze opsomming van de inhoud van een bepaald gevolgd patroon ( hier dus: het patroon van het volgen van de rivier gedurende de migratie naar nieuwe gebieden) is belangrijk voor het bestuderen van prehistorische patronen, omdat we hierin de voorwaarden van de aanwezigheid van de prehistorische mens in een bepaald gebied herkennen; de mens verbleef immers alleen op die plaatsen, waar drinkwater, voedsel, onderdak, en een zekere veiligheid (beschutting, overhangende rotsen, maar ook oriëntatie mogelijkheid in het landschap) te vinden was.
Verder zocht de mens naar die landschappen, waarin hij optimaal kon profiteren van een groot aantal biotopen: bijvoorbeeld aan de rand van een rivier in de buurt van een zij dal, op de kruising van twee bodemtypen (= verschillende vegetatietypen, mozaïeklandschap met grote biodiversiteit).
Zulke gebieden zijn vaak overgangsgebieden tussen bijvoorbeeld zandgrond en kleibodems, tussen hogere en lager gelegen gebieden (voor de jacht), bij moerassen, poelen, enzovoort.
Ook het klimaat speelde een grote rol bij de keuze van verblijf voor de prehistorische mens. Een veranderend klimaat betekende immers ,dat de beschikbare voedselbronnen veranderden (voorbeeld: in een koud klimaat met open landschappen leven andere dieren zoals mammoet, wolharige neushoorn, steppe -wisent, in vergelijking met met een warm klimaat met dichte begroeiing , waarin dieren voorkomen als wild zwijn, edelhert, ree, haas, en das. De vroege hominiden kwamen dus afwisselend voor nieuwe uitdagingen te staan.
Deze nieuwe uitdagingen vereisten creativiteit in het uitvinden van nieuwe jachttechnieken en een nieuwe jachtuitrusting, - en daarmee ook een verandering in de toegepaste technieken op steen, en eventueel zelfs een geheel ander gebruik van grondstoffen (bijvoorbeeld het gebruiken van vuursteen in plaats van kwarts en kwartsiet).

Afbeelding: vervallen in verband met copyright.

De archeologische hoofdperioden
De steentijd is op basis van culturele tradities en toegepaste techniek onderverdeeld.4 Die onderverdeling is verspreid over een de lange tijdspanne van ca 2 ½ miljoen jaar.
In de hoofdindeling van de steentijd zijn drie hoofdperioden te onderscheiden. Hieronder worden ze in een kort overzicht weergegeven.

1 Paleolithicum ( Paleos- oud, Lithos - steen )
Het Paleolithicum is de langstdurende periode van de steentijd en loopt ruwweg van 2,6 miljoen jaar geleden tot en met zo’n 10.000 jaar v.C.
Het Oude Paleolithicum ( 2,5 miljoen jaar geleden - 300.000 jaar geleden) kenmerkt zich door de opkomst van de mens, waarin de H. erectus ( de rechtopgaande mens) ongeveer 1 miljoen jaar geleden vanuit Afrika naar Europa trekt. Waarschijnlijk vindt rond 600.000 jaar geleden, gedurende een warme periode ( “Mauer Warmzeit”) een nieuwe immigratie plaats. Ditmaal is het weer H. erectus, maar we noemen deze naar de vindplaats Heidelberg in Duitsland, de H. heidelbergensis. Deze mensensoort lijkt niet alleen sterk op H. Erectus, zijn levenstijl is ook hetzelfde: de rivieren en kuststroken worden gebruikt als vestigingsplaats, er wordt gejaagd op allerlei diersoorten. De Heidelberg mens begroef zijn doden niet: in de grotten in het Spaanse Atapuerca vinden we de doden terug bij het afval, dat in een 20 meter diepe kuil werd gedeponeerd. Om ons een voorstelling te vormen van hoe anders deze voorouder nog dacht is een theorie opgesteld (zie o.a. Coolidge & Wynn, 2009). We moeten ons het denken van H. Heidelbergensis voorstellen alsof wij tijdens het autorijden ineens merken dat we al een stuk verder zijn gereden, terwijl we ondertussen wel aan van alles hebben gedacht, maar niet meer echt weten waaraan we hebben gedacht. Dit denken en snel weer vergeten zou de denkmethode van H. Heidelbergensis zijn geweest. Andere wetenschappers, zoals McPherron koppelen de eerste taalklanken van de mens zelfs aan de capaciteit die nodig is om de techniek van het maken van en vuistbijl door te geven aan anderen: hiervoor was een zekere taal nodig.(McPherron, 1999).
H. heidelbergensis verspreidde zich uiteindelijk over delen van Europa, en we nemen aan, dat, gedurende een latere koude periode hieruit de Neanderthaler (Homo sapiens neandertalensis,) is ontstaan. De Neanderthaler zou ongeveer 300.000 jaar geleden zijn ‘ontstaan’( lees: in aangepaste vorm zijn geëvolueerd om te overleven in koude perioden) en heeft zich tot 30.000 jaar geleden weten te handhaven.
We zijn nu aangekomen in het Midden-Paleolithicum,, waarin een nieuwe vorm van steen - bewerken zijn intrede maakt: de “Levallois- techniek”.
Hierbij wordt een stuk steen ( meestal vuursteen) van diverse zijden bewerkt, om er vervolgens een stuk af te slaan, waarvan de vorm van te voren al werd bepaald!
De Neanderthaler dacht dus vooruit.

Afbeelding: vervallen in verband met copyright.

De Neanderthaler is zo genoemd naar de eerste vondst van schedels in 1856 in het Neandertal in Duitsland. Sinds deze ontdekking, is de soort op zeer veel plaatsen in Europa, en zo ook in ons land vastgesteld (in ons land eerst aan de hand van werktuigen uit de Belvédère groeve in Maastricht, in 2012 is een klein fragment van een Neanderthaler schedel uit de Noordzee opgevist in Zeeland).
Neanderthalers leefden in groepsverband in grotten en zij legden grote afstanden af voor de jacht, maar ook voor het verzamelen van geschikte grondstoffen voor werktuigen, zoals vuursteen. Zo weten we, dat ze wel tot 80 kilometer aflegden om geschikt vuursteen te gaan zoeken! Op de open vlakten hebben zij zeer succesvol gejaagd op grote zoogdieren, zoals op mammoeten, en op wolharige neushoorns , terwijl ze met de holenbeer wedijverden om een plaats in de grotten. Zij kenden het vuur en Neanderthalers bezaten een bepaald gevoel voor kunst (benen fluit) en zij waren de eersten, welke hun doden begroeven. Toch was de Neanderthaler een geheel andere mensensoort. In ons erfelijk materiaal delen we vier procent gemeenschappelijke kenmerken met de Neanderthalers; waarschijnlijk zijn deze vier procent de genen, die wij gezamenlijk delen met Homo erectus, en niet vanwege mogelijke nakomelingen tussen de Neanderthalers en de moderne mens; wij verschillen fysiek eenvoudig teveel. Is dat ook de reden van het uitsterven van de Neanderthalers? Werden zij ziek van onze ziekteverwekkers? Of stierven zij uit omdat ze te zeer waren gespecialiseerd in de jacht op grote zoogdieren, en kon de moderne mens, (Homo sapiens sapiens) zich eenvoudig meer aanpassen, omdat wij generalisten zijn (generalist = zich op meerdere voedselbronnen oriënterend).
Waarom de Neanderthalers zijn uitgestorven weten we (nog) niet. Boeiend is het, dat eens, ongeveer 29.000 jaar geleden, een laatste Neanderthaler heeft geleefd; en nog “niet eens zolang” ervoor, ca 50.000 jaar gelden, stierf H. Erectus ook uit.

Afbeelding: vervallen. 

Van de moderne mens, (wij dus,) zijn in Zuid- Afrika, schedels gevonden, welke ongeveer 200.000 jaar oud zijn. De moderne mens is dus in Afrika ( vanuit H. Erectus) ontstaan. In Europa leven pas sinds 40.000 jaar geleden mensen, zij trokken dan vanuit Afrika Europa binnen, tijdens een gematigde periode, maar kregen al vrij snel met lange koude perioden te maken.
We noemen de laatste periode van het Paleolithicum, het Jong- Paleolithicum, dat ongeveer begint met het verdwijnen van de Neanderthalers (ca 30.000 jaar geleden).
In deze laatste periode van de Oude Steentijd, leefde de mensen van de jacht, ze leefden in kleine cirkelvormige hutten gemaakt van takken of beenderen. Bekend is het opkomen van de kunst, zoals het maken van muziekinstrumenten, kleine Venus - beeldjes en van ingewikkelde grotschilderingen. In alles leken deze mensen op ons, zij leefden echter in en totaal andere wereld, een wereld, die natuurkundig niet werd begrepen, maar waarin de mens zich perfect wist te handhaven.
De uitvinding van deze periode is de speerwerper. Hierdoor kon een speer tot 8 meter ver worden geworpen, hetgeen de afstand tot de dieren waarop werd gejaagd aanzienlijk vergrootte wat een grotere overlevingskans betekende. Een gewone speer die vanuit de hand werd geworpen had een bereik van 1- 2 meter, en werd dus in een dier gestoken; de latere pijl en boog kon tot 20 meter zuiver schieten.

Afbeelding: vervallen in verband met copyright.

Tegen het einde van het Jong- Paleolithicum leven er verschillende groepen jagers in Europa, welke we al kunnen onderscheiden aan de hand van verschillende vuurstenen spitsen die ze gebruiken. Territoria ontstaan, waarin rendierjagers rondtrekken achter de wilde kuddes aan. Dan wordt het klimaat plotseling beter, de lange koude perioden zijn ineens voorbij: het Paleolithicum loopt hiermee ten einde, en we komen in een nieuwe periode.In een ander cursusdeel wordt stilgestaan bij de veranderingen in klimaat en hoe het landschap hierdoor snel veranderde.
2. Het Mesolithicum ( Meso= midden, litos = steen), de Midden Steentijd.
Deze periode begint ergens 10.000 jaar geleden, ofwel 8800 v.C. De nomadische jager- vissers- verzamelaars leven in een vrijwel bebost landschap, waar ze in de open gebieden jagen op waterwild, kleine zoogdieren en reptielen. We kennen basiskampen waar de vrouwen en kinderen verblijven en kleine jachtkampen, waar steeds kleine groepjes jagers tijdelijk verblijven voor de jacht. Rond het basiskamp worden bessen, kruiden, noten en wortels verzameld, in de rivier of het meer wordt gevist. Uit deze periode kennen we de eerste (boomstam -) kano’s. Er werd gejaagd met pijl en boog en we weten dat noten in voorraadkuilen in de grond werden bewaard.
De kleine groepen jagers- verzamelaars trokken rond in een vrij groot territorium, dat wel enkele honderden kilometers groot kon zijn, zoals is gebleken uit het gebruik van bepaalde type spitsen voor de pijlen van de boog.
Vanaf ongeveer 5000 v. C., zo’n 7000 jaar geleden dus, vinden de eerste boeren van Nederland in Limburg, op de vruchtbare lössbodems. Vanaf dan zijn we aanbeland in het Neolithicum.

  1. Het Neolithicum (Neo- nieuw, lithos = steen), de Nieuwe Steentijd.
De boeren brachten veel veranderingen met zich mee, zoals huisdieren, landbouwgewassen, het wonen in boerderijen, pottenbakken en het delven van vuursteen uit mijnen. We spreken dan ook wel van de Neolithische revolutie, die grote gevolgen zou hebben voor vrijwel alle culturen op de aarde.
De overstap van jager- verzamelaar naar boer werd natuurlijk niet overal direct gemaakt: op de zandgronden bijvoorbeeld was het bedrijven van landbouw veel moeilijker, of zelfs onmogelijk. Zo kan het, dat terwijl in Zuid-Limburg de eerste boeren al rond 5400 v.C. beginnen met landbouw, in de aangrenzende Belgische Kempen de landbouw pas rond 4000 v.C. heel voorzichtig op gang komt.
We zagen al, dat met het veranderen van het klimaat, de fauna veranderde, waardoor andere gereedschappen nodig zijn. Een mammoet kun je niet slachten met een klein stukje vuursteen, terwijl je met een zware vuistbijl niet veel goeds kunt doen, wanneer je de huid van en bever wil gebruiken...
Elke omstandigheid vereiste een ander gebruik van werktuigen. In het Neolithicum zien we voor eerst het op grote schaal toepassen van het polijsten van met name vuursteen ( voor bijlen) en dit vormt een afspiegeling van een veranderende economie, zowel binnen de gemeenschap als naar buiten toe: voor het eerst komen export producten ter beschikking. Zo zijn gepolijste bijlen uit Rijckholt ( Zuid-Limburg) tot 400 km ver teruggevonden, verhandeld, of mogelijk als relatiegeschenk meegegeven.
Tegen het einde van het Neolithicum zien we enerzijds een extreme verfijning van het vervaardigen van vuurstenen werktuigen, zoals de fijn bewerkte pijlspitsen en fraai bewerkte sikkels, waarmee we in de Vroege Bronstijd zijn aangekomen, ongeveer 2000 v.C. .
Echter, gedurende de Bronstijd, waarbij brons (= legering van koper en tin) werd gebruikt voor het maken van werktuigen, vinden we aanvankelijk erg weinig werktuigen, maar vooral prestige objecten. Zulke prestige objecten werden dan ook weer in vuursteen nagemaakt, bijvoorbeeld een vuurstenen dolk, waarop de brons-gietnaad is geïmiteerd.
Pas in de latere bronstijd zien we bronzen lansspitsen,en kokerbijlen verschijnen, waarmee het brons meer algemeen in gebruik kwam. Echter, pas met het aanbreken van de IJzertijd, ongeveer 1200 v.C. raakt het brons ook meer ingeburgerd, en in sommige delen van het land, vooral op de armere zandgronden, loopt in feite de steentijd nog erg lang door  (tot wel 600 v.C.).

De onderverdeling in de drie hoofdperioden is, zoals we hier zien, niet altijd even scherp te maken en zelfs afhankelijk van de geografische plaats waar je op aarde bent. Zo begint het Neolithicum in het Midden -Oosten wel 4000 jaar eerder dan in onze streken, en in de Verenigde Staten kennen ze een geheel andere indeling van prehistorie en steentijd, aangezien daar de steentijd pas ca 14.000 jaar geleden begint met de kolonisatie van Amerika vanuit Siberië.
Echter, er kunnen nieuwe ontdekkingen worden gedaan, die alles wat we kennen over de perioden opnieuw in een ander daglicht stelt. Dit geldt evenzeer voor Europa, en wellicht nog meer voor plaatselijke of regionale archeologie, waarbij kleine, ogenschijnlijk niet zo belangrijke ontdekkingen een witte vlek op een kaart al vrij snel behoorlijk kunnen inkleuren. We komen hierop terug in deel 5 van deze cursus.

Archeologie en haar hulpwetenschappen

Archeologie is de studie der oudheid. Archeologie is allang niet meer een simpel definieerbaar begrip, zoals dat vroeger was: archeologen graven op en ontdekken daarbij resten van culturen en ontdekken daardoor allerlei zaken over onze vroegste voorouders.
Inmiddels is de archeologie een verzameling specialismen die veelvuldig met andere (universitaire) disciplines samenwerkt.
Archeologie is een deel van de antropologie, waarbij zij in de ruimste zin van het woord zich bezighoudt met de studie van culturen in de oudheid, Dit tekent direct het onderscheid met vele andere disciplines die zich met de studie van de oudheid bezighouden, zoals paleontologen ( deze bestuderen fossiele botten), paleo - zoölogen (bestuderen het prehistorisch dierlijk leven) paleo- botanisten (bestuderen de fossiele flora op aarde). Deze laatste wetenschap levert voor de archeologie een prachtig kader van het landschap waarin de prehistorische mens leefde, door middel van stuifmeelonderzoek.
Archeologie beperkt zich dus tot het bestuderen van die zaken uit de oudheid die met mensen te maken hebben. Dat betekent niet, dat de archeologie geen hulp behoeft van allerlei andere wetenschappen. Zo is de grootste bijdrage nodig van de geologie (de bestudering van de aarde en aardlagen) waarop het archeologisch veldwerk grotendeels leunt. Andere wetenschappen die bijdragen leveren aan de archeologie zijn de dendrochronologie (de wetenschap van het onderzoek naar houtringen en de datering ervan) de archeozoölogie  de wetenschap van het bestuderen van dierlijke resten uit archeologische nederzettingen) en de archeobotanie (de wetenschap van het bestuderen van plantaardige resten uit archeologische nederzettingen).
Deze laatste twee specialismen vallen onder de term ‘ecologische archeologie’ waarbij niet alleen wordt gekeken naar de verschillende soorten planten of dieren die voorkomen in een bepaalde archeologische setting, maar vooral naar de relatie met de omgeving, met de mens, met de bodem en met de culturele verschijnselen van dat moment.
Als voorbeeld kan ik noemen het voorkomen van botten van kraanvogels en zee- arenden in een Mesolithische nederzetting. Opmerkelijk is daarin, dat de kraanvogel een vrij lichte vogel is, geen vette buit dus, terwijl het een hele toer moet zijn om een zee- arend uit de lucht te halen. De kraanvogel werd waarschijnlijk geschoten, omdat deze zich in grote getale in het voor- en najaar bij poelen en vennen ophield, juist in de jachtgebieden van de Mesolithische jagers. Van de zee- arenden wordt gedacht deze vooral vanwege de veren zijn gevangen, of zelfs gevonden , en gebruikt als een soort statussymbool dus.

Deze tekst behoort bij de inleiding. In volgende delen gaan we meer uitgebreid in op perioden, werktuigen, leefwijzen en de omgeving van de prehistorische mens.
Referenties bij de tekst


Burdukiewicz, Jan Michal (2009) Lower Palaeolithic Transitions in the Northern Latitudes of Eurasia; Springer Science + Business Media
Coolidge, Frederic L. & Wynn, Thomas ( 2009) The Rise of Homo sapiens: The Evolution of Modern Thinking, uitg. Wiley-Blackwell
Costandi Moheb (2013) Ancient rivers tell story of first migration; in:Nature middle East doi:10.1038/nmiddleeast.2013.178
Leakey, Richard. E. & Lewin, R. (1993) Origins reconsidered; Anchor books
McPherron, S.P. (1999) Handaxes as a Measure of the Mental Capabilities of Early
Hominids; Journal of Archaeological Science (2000) 27, 655–663
Peeters, H. (2001 ) De mesolithische en vroeg-neolithischevindplaatsHoge Vaart-A27 (Flevoland) Deel 20 Op de grens van land en water:jagers-vissers-verzamelaars in een verdrinkend landschap RAM 79- 20 Hoge Vaart ROB Amersfoort
Wills, Chr. (2011) Genetic and Phenotypic Consequences of Introgression Between Humans and Neanderthals; Division of Biological Sciences, University of California, San Diego,La Jolla, California, US / free version: Autismepidemic Nov. 2011


Leerdoel van cursus deel 1:
  1. Een globaal beeld te hebben van de vroegste beschaving van de mens
  2. De werktuigen van de vroegste mens. Deze gaan we in Gaasterland niet vinden. In deel 3 zullen we zien waarom dit vrijwel niet mogelijk is.
  3. Een beeld hebben van de globale indeling van de steentijd in 3 hoofdperioden en deze kunnen benoemen als Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum
  4. Een idee hebben wat archeologie doet en hoe andere wetenschappen hierbij helpen.
  5. Allerlei zaken uit deze inleiding zullen op één of andere wijze in de volgende delen weer terugkeren.

Volgende delen van de cursus en leerdoel.
Deel 2. Steentijd in Europa , een kort perspectief; een globaal overzicht van de steentijd in Nederland; belangrijke prehistorische culturen per periode.
Leerdoel: een globaal overzicht verkrijgen van Europese culturen, vertrouwd raken met begrippen als Acheuleen, Hamburg cultuur, Swifterbant cultuur, de Megalithische cultuur. Waarom dit nodig is , wordt in dit deel duidelijk.
Deel 3. Een toegespitst overzicht van landschap, geologie en vegetatie in de ijstijden en het Holoceen; het leven van de mens in veranderende klimaat /bodem-omstandigheden.
Leerdoel: enig inzicht verkrijgen in hoe het landschap onder invloed van het klimaat is veranderd in de loop van duizenden jaren en hoe de vegetatie en de fauna zich hieraan steeds hebben aangepast. En daarmee ook is het landschap steeds van grote invloed geweest op de mens. Hoe zag Nederland eruit in de ijstijd? Welke planten groeiden er?
Deel 4. Werktuigen van steen : soorten materialen en vervaardiging; ontwikkeling van gereedschappen van de prehistorische mens; (vuur-)steenbewerking en kenmerken van artefacten; gids–artefacten, herkomst van vuursteen.
Leerdoel: het herkennen van enkele basis steensoorten zoals kwarts, kwartsiet, lydiet, en vuursteen. Het herkennen van bewerking sporen op vuursteen, en enig inzicht in bewerking - technieken.
Deel 5. Steentijd in het Gaasterland; een overzicht van de verschillende perioden en vondsten;
het landschap en mogelijke sporen uit de steentijd; veld -prospecties: methoden, documentatie, opslag , rapportage en discussie.
Leerdoel: Een globaal overzicht hebben van de prehistorie van Gaasterland. Een beknopte handleiding voor het doen van veld -prospecties en het vastleggen van gevonden artefacten.

1 Voor leuke filmpjes op het internet over het gebruik van werktuigen door apen zie http://primatology.net/tag/tool-use/

3 2008, waarnemingen van een onbekende stam in Brazilië, zie website artikel http://www.foxnews.com/story/2008/05/29/brazil-discovers-uncontacted-indian-tribe-in-amazon-jungle/

4 De indeling van het Oud-Paleolithicum loopt door tot de verschijning van de Neanderthaler.. We zien hier, hoe de verandering in bewerking van stenen door de Neanderthalers - de introductie van de zogenaamde Levallois techniek- gekozen is als begrenzing van de periode.



                                                 deel 2 “Steentijd in Europa ”

Inleiding
Het tweede deel van de cursus gaat over Europa. Immers, de prehistorie van Gaasterland staat niet op zichzelf, maar is een onderdeel van de prehistorie van Europa. In dit cursusdeel raken we vertrouwd met namen van enkele belangrijke prehistorische culturen in Europa, en kijken we kort naar de relatie met het Gaasterland. In het vijfde cursusdeel wordt de prehistorie van Gaasterland besproken en dan blikken we onder andere terug op dit deel.
Dit deel gaat over culturen in de prehistorie. Maar wat bedoelen we eigenlijk met cultuur?
Cultuur is een aan de mens voorbehouden patroon van verschijnselen en activiteiten, welke deel uitmaken van bepaalde groepen, in een bepaalde periode. Volgens sommige wetenschappers is juist de taal doorslaggevend voor de cultuur (British Association for Applied Linguistics, 1993).
Cultuur is aan verandering onderhevig, omdat zowel de gemeenschappen (ervaringen van de gemeenschap, bedreigingen, oorlogen, contacten met andere gemeenschappen) alsook de omgeving ( klimaat, veranderend landschap) continue veranderen. (Kottak, 2010)
Als voorbeeld: een boven de poolcirkel levende groep Inuit (Eskimo’s) kent een geheel andere cultuur dan de in de Braziliaanse jungle levende groep van de Tupiniquim indianen; hierin speelt niet slechts de huidige omgeving een grote rol, maar ook de geschiedenis van de groep als geheel. In zekere zin zit cultuur ook in de ‘genen’: dit is het lange stuk geschiedenis van de cultuur die bijvoorbeeld ons voedingspatroon bepaald. Een mooi voorbeeld hiervan is lactose -intolerantie, een verschijnsel dat bij het grootste deel van de wereldbevolking optreedt (Burger, 2013). Slechts een deel van de wereldbevolking is in staat koemelk normaal te verteren (zie o.a. O’Neil, 2011), en daarbij niet -westerse Amerikanen het minst (McCracken, 1976).
Binnen culturen kunnen we sub-culturen aantreffen , zoals bijvoorbeeld het voorkomen van een straat- cultuur met geheel eigen taal, gebruiken en culturele expressie, voorkomend in de Westerse wereld.
Cultuur wordt zichtbaar door uitingen (culturele expressie) welke zichtbaar kunnen worden in voorwerpen welke door een bepaalde cultuur worden vervaardigd en gebruikt. Dit kunnen artefacten zijn, zoals beeldjes, werktuigen, sieraden, maar ook het gebruik van oker, de wijze waarop bv. een greppel werd gegraven en het gebruik van vuur , welke laatsten als bodemsporen zichtbaar kunnen blijven.
Binnen de archeologie worden prehistorische culturen bestudeerd, op basis van wat we in de bodem terugvinden. Dit beeld is vanzelfsprekend altijd versnipperd en incompleet. In de nabeschouwing van dit cursusdeel wordt een voorbeeld gegeven van hoe een relatie gelegd zou kunnen worden tussen het maken van een vuistbijl en het bestaan van taal.
Er wordt door de archeologie niet alleen getracht een beeld te krijgen van een bepaalde prehistorische cultuur, de interesse geldt vooral de opeenvolging, de relaties tussen culturen en de verspreiding van culturen. Binnen een bepaalde cultuur geldt ieder individueel mens als cultuurdrager, d.w.z. ieder mens draagt niet alleen de cultuur waartoe hij/ zij behoort in zich mee, maar kan ook potentieel bijdragen in het wijzigen ervan.


Leerdoelen van dit cursusdeel:
Het begrijpen van het verschijnsel cultuur en de veranderingen hierin afhankelijk van de locatie en periode in de archeologie
Een globaal beeld hebben van de opeenvolging van de hoofdculturen van Europa, zonder direct alle culturen uit het hoofd te leren
Het begrijpen van de relatie tussen vondsten in het veld en het doel van veld-prospecties: het verzamelen van informatie van vroegere culturen

De vroegste cultuur van Europa
Wanneer H. erectus , een voorloper van de latere Neanderthaler (H. sapiens neanderthalensis ) en van de moderne mens (H. sapiens sapiens) ongeveer 800.000 jaar geleden Europa binnentrekt, is Europa nog geheel onbewoond, en nooit door mensen bewoond geweest.(1)
De oudste vondsten van deze hominide ( mensensoort) zijn gedaan in het Atapuerca - gebergte, Sierra de Atapuerca, in Spanje - waar uitgebreide opgravingen veel informatie hebben opgeleverd over de vroegste bewoning in Europa. (2)


Figuur 1. De oudste menselijke resten van Europa: kaakdelen van een H. erectus, geschatte ouderdom tussen 857.000 en 780.000 jaar oud. Foto José-Manuel Benito (vervallen i.v.m. copyright)

Deze vroegste hominiden kenden al een vorm van cultuur. De uitingen van deze cultuur zijn teruggevonden in de vorm van bewerkte stenen, welke nog geheel lijken op die van H. eerectus in Afrika. Uit deze toegepaste techniek voor het maken van stenen werktuigen, namelijk het afslaan van schilfers van een steen om een scherpe, snijdende rand te krijgen, is te zien dat H. erectus voortging met de techniek zoals die in Afrika al meer dan een miljoen jaar is toegepast! Eén miljoen jaar dezelfde techniek, waarom?
Afgezien van het feit dat het brein van H. erectus vrijwel constant hetzelfde is gebleven(ca 950 cm² in Afrika, tot 1230 cm² in Europa, huidige mens ca. 1350 cm²) (Rightmire, 2013, is er een andere mogelijke oorzaak voor het langdurig ongewijzigd blijven van de toegepaste techniek. Het was simpelweg niet nodig om de techniek te veranderen, er was geen enkele aanleiding toe. Evenmin als iemand van ons zich ooit heeft bedacht om ineens van iets anders te gaan eten dan van een bord. Wanneer de omstandigheden veranderen, zal een technologische verandering noodzakelijk zijn om voor te bestaan.
In Europa bestond dus zo’n 800.000 - 600.000 jaar geleden slechts één cultuur. Wanneer we een sprong in de tijd maken en van 780.000 jaar geelden naar het Europa van 400.000 jaar geelden kijken, zien we dat er al enig verschil is waar te nemen in het maken van werktuigen. Echter, of dit verschil werkelijk is veroorzaakt door een verandering van cultuur of ligt aan het veranderend gebruik van grondstoffen in een andere omgeving is niet duidelijk. Wel valt deze verandering aan het einde van een wat langdurige fase van opwarming (de zgn. Mid- Brunhes opwarming, zie Kühl & Gobet, 2010). Ook is duidelijk, dat Europa nu op een veel groter aantal plaatsen is bewoond. Belangrijke vindplaatsen zijn:
Mauer (D): oudste onderkaak van de Heidelbergmens (H. heidelbergensis) 650. 000 –
600. 000 jaar geleden.
Tautavel (Frankrijk ): “Caune de l’Arago’ 450 000 – 400. 000 jaar geleden , stenen werktuigen, schedel
Atapuerca (Spanje) ± 400. 000 jaar geleden botten met snijsporen (waaronder menselijke botten) en ‘gedumpte’ stoffelijke overschotten van mensen. (3)
Bilzingsleben (Duitsland) ± 400. 000 jaar geleden, schedel, houten speer, stenen werktuigen
Vértesszöllös (Hongarije) ± 400. 000 jaar geleden, stenen werktuigen, schedels
Pakefield (Engeland) ± 500. 000 jaar geleden, stenen werktuigen en fossiele tanden

Na deze opsomming van locaties, (welke overigens onvolledig is; voor meer informatie zie James Harrod, webpagina’s in de referenties onderaan), maken we wederom een sprong in de tijd en belanden in het Europa van ca 300.000 / 250.000 jaar geleden. In deze periode zien we de opkomst van de Neanderthaler, welke in velerlei opzichten verder was qua evolutie dan ervoor in Europa levende mens-soort (4)
Neanderthalers: uitgesproken cultuur
De Neanderthalers zijn hoogstwaarschijnlijk de directe ’opvolgers’ van de vroegere H. heidelbergensis, dat wil zeggen een aan de koude aangepaste soort die is ontstaan uit de H. Heidelbergens.
Zij maakten nu vooral gereedschappen van vuursteen, hoewel ze ook nog veel rolkeien uit de rivier gebruikten. Ze begonnen met een compleet nieuwe techniek, de zogenaamde Levallois- techniek, waarbij een stuk vuursteen zodanig bewerkt werd, dat er al een van te voren vaststaande vorm vanaf geslagen kon worden. (waarover in deel 4 over werktuigen meer). Deze techniek vereist dat je enkele stappen vooruit denkt. De Neanderthalers leefden in kleine groepen in Europa. In hun uiting van cultuur vinden we voor het eerst het begraven van doden. Hoewel in een Neanderthaler graf stuifmeel is gevonden van bloemen, is het niet duidelijk of dit afkomstig is van neergelegde bloemen of dat het van buitenaf is ingewaaid. (Solecki, 1977). Een muziekinstrument, toegeschreven aan de Neanderthalers is vervaardigd uit het bot van een jonge grottenbeer, het gaat om een fluit met tenminste 4 gaatjes, waaruit aardige muziek gemaakt kon worden. Deze fluit werd gevonden bij Divje Babe in Slovenië.
Een referentie over deze fluit en waar gespeelde muziek op een gereconstrueerde fluit is te vinden is onderaan dit artikel vermeld (Jakopin, P. 2010).
Dit bewijst, dat Neanderthalers gevoelige mensen waren, die een ontwikkeling hebben doorgemaakt vergelijkbaar met de onze. Helaas hebben zij het cultuurpad niet mogen afmaken, zij stierven rond 30.000 jaar geleden plotseling uit. Over de oorzaken hiervan is nog totaal geen overeenstemming, hoewel allerlei oorzaken worden genoemd, variërend van ziekten, de eenzijdige specialisatie op vlees van grote dieren en een ‘verdringing’door de moderne mens, vergelijkbaar met het ( bijna) uitsterven van bijvoorbeeld de bruine beer in de 20e eeuw in Europa.(zie ook: Horan, z.j.; Calvignac et al. 2009).


figuur 2. Een fluit, het oudste bekende muziekinstrument , vervaardigd uit een bot van een holenbeer; gevonden in Divje Babe, Slovenië, ouderdom ca 55.000 jaar. afb.: Dalbera Paris, France. Afbeelding Wikipedia commons

De moderne mens in Europa
195.000 jaar geleden leefde onze mensensoort in Zuid-Afrika, namelijk in Ethiopië, op locatie Omo I en II en werd ontdekt door Richard Leakey (5). De gevonden schedel had kenmerken die lijken op de H. erectus en op de moderne mens. Wellicht was de variëteit tussen de mensen groot, of leefden er verschillende vormen van onze soort.
Van de vroegste moderne mensen weten we niets van de cultuur, hooguit iets van het bewerken van stenen, omdat deze cultuur – uitingen niet verloren zijn gegaan.
Uiteindelijk , rond 48.000 jaar geleden zal de moderne mens Europa zijn binnengetrokken via de Balkan ( Hoffecker, 2009), waarvan uitsluitend stenen werktuigen zijn gevonden.
De eerste echte duidelijke cultuur- uitingen vinden we in Laussel , Frankrijk waar een Venusbeeldje is gevonden.

afbeelding 3 Venusbeeldje van Laussel, Frankrijk, één van de oudste uitingen van cultuur van de moderne mens. Het is vervaardigd door mensen van de ‘Aurignacien’- cultuur.

De mensen van de Aurignacien cultuur bewoonden het grootste deel van Europa, maar we treffen ze niet ons land. Zij leefden tussen 40.000 en 26.000 jaar geleden en van deze cultuur kennen we bewerkte botten, hangers, armbanden en ivoren kralen en ook maakten zij de oudste grotschilderkunst. Cultuur – uitingen van deze omvang zijn compleet nieuw in het archeologische correlaat in Europa.
Vanaf deze tijd zal de hoeveelheid uitingen van cultuur alleen maar toenemen en steeds meer divers worden.
In het laatste deel van de lange koude perioden van de IJstijd, zo rond 11.000 jaar geleden, verschijnt de moderne mens in ons land, althans vinden we hiervan de eerste sporen terug. Zij beschikken over geavanceerde wapens zoals speren , die ze met behulp van een speerwerper van een afstand kunnen werpen. Zij volgen de rondtrekkende rendierkuddes en laten overal in Noord-West Europa sporen achter van hun kampen: grote haardkuilen die als zwarte brandplekken in de bodem zichtbaar blijven; meerdere ateliers, waar zij vuursteen bewerkten; het afval van het slachten en eten van dieren; en soms zelfs kleine stenen vloertjes , die als een soort vloerbedekking in de hut hebben gelegen (zie afbeelding 4).





Afbeelding 4: een plattegrond van een hut uit Paslov (S'Armuna's hut) , met 1 Kuil in de grond 2 paal gaten; 3 Overblijfsel van een cirkelvormige muur rond de vuurplaats; 4 vuurplaats ( haard) ; 5 bron Afb. J Jelinek, 'The Evolution of Man' / See link: Don’s mapshttp: //donsmaps. com/ dolnivi.html

Deze cultuur, die de Hamburg cultuur (6) wordt genoemd, (de eerste herkenbare site is gevonden bij Hamburg in Duitsland) is ook in het Gaasterland teruggevonden. Deze rendierjagers trokken met de kuddes mee en waren zo verzekerd van vlees als voedsel, huiden voor de kleding en beenderen en gewei voor voorwerpen en werktuigen van bot en gewei (naalden, priemen, harpoenen) 
(Schwabedissen, 1973).
De rendierkuddes trokken over eindeloze toendra’s, waarin nauwelijks begroeiing was; maar aan het einde van de koude periode, die we het Dryas noemen, begon het vrij plotseling op te warmen. Pollenonderzoek in Polen heeft aangetoond, dat deze opwarming in ongeveer 150 jaar heeft plaatsgehad: de poolwilg was in die korte tijd helemaal vervangen door jeneverbessen. (Miotk-Szpiganowicz, 1977; Jacomet / Kreuz 1999).

Deze opwarming had als gevolg, dat de rendierkudden zich niet meer konden handhaven in een omgeving waarin steeds meer bomen groeiden. Dennen en berken verschenen, en de mensen die in Noord-West Europa leefden moesten zich aanpassen aan de veranderde omgeving, waarin meer kleine dieren gingen leven, zoals reeën, herten, wilde zijnen en dassen. Met het ontstaan van moerassen en warmere poelen vestigden zich ook soorten als bever en otter.
We staan dan aan het begin van het Mesolithicum: de mensen trekken in kleine groepen rond en zijn niet alleen meer jagers, maar ook vooral verzamelaars en vissers.
We onderscheiden een Noord- Mesolithische en Zuid- Mesolithische cultuur in ons land, gescheiden door het rivierengebied van de huidige Maas en Waal. Deze culturen gebruikten vuursteen uit andere brongebieden en er was verschil in behuizing: ingegraven, verdiepte hutkommen in het noorden, in het zuiden werden de hutten zo op de grond geplaatst. Deze Mesolithische culturen in ons waren onderdeel van grotere culturen met territoria die vanzelfsprekend onze landgrenzen hebben overschreden (Arora, 1976 ).
In een gevarieerd bos kunnen veel meer dier- en plantensoorten leven dan op een toendra in een vergelijkbaar gebied; de territoria werden dus kleiner, omdat per km² veel meer voedsel gevonden kon worden. Deze verkleining van territoria werd nog eens versterkt door het stijgen van de zeespiegel veroorzaakt door het afsmelten van het Fenno-Scandinavische landijs: grote kustgebieden liepen onder water en verdwenen definitief en zo ontstond ook de Noordzee.
Deze toename in kleinere beschikbare territoria betekende ook een toename in verschillende groepen, welke uiteindelijk een toename van verschillende culturen betekende. In Zuid-Oost Europa werd men in deze tijd al beïnvloedt door de opkomst van landbouw en veeteelt. In Zuid-Europa gebruikten verschillende nomadische culturen al potten welke ze met schelpindrukken versierden.... (Cardiaal - impresso cultuur, - aardewerk.) De gewoonte om potten zo te versieren kwam uit het Midden-Oosten en verspreidde zich naar de streken van het huidige Zuid- Frankrijk.
De landbouw en veeteelt veroverde Europa eveneens geleidelijk vanuit het Midden-Oosten, en deze vorm van economie bedrijven betekende een totale verandering van culturen en cultuurpatronen in Europa: we spreken ook wel van de Mesolithische-Neolithische transitie , ofwel de overgangsfase van het jagen, vissen en verzamelen in het Mesolithicum en het bestaan als boeren in het Neolithicum.
Een andere naam voor dit verschijnsel is: de Neolithische Revolutie want die overgang ging niet zomaar in eens. Het is daarbij ook de vraag of het toepassen van landbouw en het het houden van huisdieren door de inheemse bevolking is gekopieerd ( geprobeerd wellicht) of dat er sprake is geweest van een migratiegolf, waarbij grote groepen mensen Europa hebben doorkruist, bepakt en bezakt met zakken graan en gevolgd door kleine kuddes varkens en koeien - op zoek naar geschikte gebieden om een boerenbestaan op te bouwen.(7)
Terwijl op verschillende plaatsen in de vruchtbare gebieden de landbouw haar intrede deed (zoals in Midden Duitsland langs de rivieren Donau en de Rijn en ons Zuid-Limburg) , duurde het nomaden -bestaan nog op vele plaatsen nog voort, met name in de onvruchtbare zandgebieden en in de noordelijke delen van Europa. (Bijvoorbeeld in de Belgische en Nederlandse Kempen en in grote delen van Scandinavië).
De nieuwe economie gebaseerd op landbouw en veeteelt leidde tot het ontstaan van nieuwe, van elkaar te onderscheiden culturen. Deze culturen onderscheiden zich aan de hand van een verschil in versiering en vorm van het aardewerk, verschillen in de bewerking van stenen werktuigen en gebruik van grondstoffen. Natuurlijk zullen veel meer zaken verschillend zijn geweest, maar van bijvoorbeeld kleding vinden we vrijwel niets terug uit deze periode, behalve uit sommige goed geconserveerde sites zoals op de steppes van de Oekraïne (Kotova, 2010).
In Zuid-Nederland vinden we, zo rond 5400 v. C. de Lineaire Bandkeramiek Cultuur, (LBK) zo genoemd aan de hand van de bandvormen in de versiering van hun potten. Deze cultuur vinden we over een groot deel van West -en Midden Europa terug, in de periode van ca 6.500 v.C tot ca 4800 v. C. En laat een heel uniform beeld zien: er werden graansoorten, linzen en erwten verbouwd, vlas en papavers, en als huisdieren hield men varkens en koeien. De lange boerderijen vervaardigd van zware eikenhouten palen werden steevast in zuidoost- noordwest richting gebouwd.
In de noordelijke streken van Nederland zien we de eerste landbouw verschijnen met de Swifterbant-cultuur, ( 5300 - 3400 v. C.) zo genoemd naar opgravingen in de Noordoostpolder bij de gelijknamige plaats Swifterbant. De mensen van deze cultuur zijn waarschijnlijk langzaam beïnvloed geweest door de boeren van de Bandkeramiek in het zuiden. De mensen van de Swifterbant cultuur hielden zich bezig met de jacht, visvangst en op beperkte schaal met het houden van vee en het verbouwen van graan (emmertarwe en gerst). (Kooijmans, 1998, De Roever 2004). De echte verschuiving van jager- verzamelaars naar landbouwers gaat geleidelijk, vanaf ca 4300 v. C. 
(Raemakers, 2006).

Vanuit Denemarken ontstaat een nieuwe cultuurrichting, die van de Ertebølle cultuur waarin verondersteld wordt dat de Swifterbant - groep een deel vormde van deze cultuur (Raemakers 1997, Ballin 2013) maar dit is een onderdeel van discussie. Aangezien de Swifterbant -cultuur zeer wel mogelijk in Gaasterland gevonden zal worden (en werd) is dit voor deze cursus wel van belang. Immers, de Swifterbant cultuur bevond zich in ‘ons’gebied, en de vindplaats ligt niet ver van de keileembult ‘Gaasterland’verwijderd. Het verschil tussen de meest in Denemarken teruggevonden Ertebølle cultuur en de Swifterbant cultuur is het verschil in toegepaste techniek, de Swifterbant -cultuur gebruikte ,meer afslagen dan klingen, terwijl de Ertbølle uitsluitend kleine klingen gebruikte voor het maken van werktuigen. Het aardewerk van de Ertebølle cultuur is dan wel weer duidelijk vanuit het zuiden beïnvloed. Vandaar dat Kooijmans de Swifterbant - cultuur ziet als onderdeel van de Ertebølle - cultuur ( Kooijmans, 1976).
Afbeelding 5 : Opeenvolging van aardewerktypen, door beïnvloeding van culturen ( afb: /sites.google.com/site/earlypotteryresearch/EBKTRB)

In het veld: wat hebben we aan deze kennis, lopend in het veld in Gaasterland?
Het zoeken naar voorwerpen uit het verleden op de akker, of dit nu gaat om het traceren van de centra van de macht van onze ‘recente’ voorouders uit de tijd van de vetkopers en schieringers, of om de locaties waar rendierjagers zich in ijskoude dagen warmden aan het vuur, gaat steeds om het vinden van sporen van een cultuur.
Een kogelpotscherf uit de dertiende eeuw zegt iets over het gebruik van dergelijk aardewerk binnen de periode waarin dit aardewerk gangbaar was, ongeveer van de 12e tot begin 14e eeuw. Wie evenwel tegenwoordig nog een kogelpot op het vuur zet, wordt vreemd aangekeken. Het gebruik van een kogelpot om in te koken is qua gebruik binnen een cultuur - althans in onze streken- voorbij.
Wanneer we het aardewerk bekijken dat is geproduceerd en gebruikt na de kogelpot, merken we op, dat reeds lange tijd geleden is gekozen voor ander soort aardewerk: in de 14e eeuw komt eerst het blauwgrijze aardewerk op (een proto- steengoed), met als kenmerk dat het veel beter waterdicht was en op de draaischijf kon worden vervaardigd.; al vrij spoedig is ook dit aardewerk weer vervangen door het roodbakkende aardewerk. Deze verandering in gebruik van aardewerk zou je kunnen zien als een verandering van gebruik binnen een cultuur. Hierin speelt eveneens beïnvloeding een grote rol.

De archeologie maakt dankbaar gebruik van deze logische opeenvolging of ‘evolutie’van techniek, mode of externe beïnvloeding van een cultuur, om langs deze weg een chronologisch kader te scheppen.

Vinden we op de akker vuursteen artefacten, dan staan die voor een toepassing binnen een bepaalde cultuur, maar ook binnen een bepaalde periode. Deze cultuur bezat een bepaald technisch niveau. Het fijne voor archeologen is, dat bepaalde technieken alleen in bepaalde perioden zijn toegepast. Toch moeten we ook hiermee voorzichtig zijn: in het verleden werden kleine werktuigjes van ca 1-2 cm groot altijd toegedicht aan de jager verzamelaars uit het Mesolithicum., zo’n 9.000 - 7.000 jaar geleden. Nu weten we, dat ook voorlopers van de huidige mens (H. erectus) deze maakte, en al 800.000 jaar geleden. Technisch zijn deze kleine werktuigen niet van hetzelfde niveau, maar het zijn beiden zgn. microlieten (Burdukiewicz, 2003).
Toch zijn de grote lijnen in evolutie van techniek in de steentijd goed bekend. Hierin spelen zowel culturele als technologische factoren een rol. Zo konden de mensen in de steentijd nog geen metaal gebruiken als grondstof, omdat dit nog niet bekend was.
Wanneer we echter vuursteen aantreffen als werktuig, in een periode waarin metaal al op grote schaal werd toegepast voor het maken van werktuigen, is er iets aan de hand. Het voorkomen van vuursteen in de metaaltijden kan door vele zaken zijn veroorzaakt:
We kunnen dan bijvoorbeeld te maken hebben met:
- Migratie: een andere, oudere cultuur, die zich tijdelijk in een gebied heeft gevestigd
- Een geografische reden : beperkte mogelijkheden voor handel , bijvoorbeeld omdat een gebied vrij geïsoleerd ligt van de grote handelsroutes (niet bezocht door reizende handelaren en smeden);
- Een sub-cultuur: een groep ontsnapte bandieten, die geen metalen voorwerpen bezaten, en zich met stenen voorwerpen moesten zien te redden.
- Een technologisch verschijnsel: een vuursteen - technologie, welke bestond naast de gangbare metaal technologie.

Het bovenstaande illustreert dat de archeologie zoekt naar patronen, relaties, culturen, en uiteindelijk dus naar de mensen. (8)
Wie waren zij? Hoe leefden zij? Welke voorstellingen hebben zij gehad?
Maar ook vragen als: gebruikten de prehistorische mensen al dezelfde wegen die wij gebruiken? Konden ze toen al een lekkere duik nemen in de Fluessen? Woonde de prehistorische mensen op dezelfde plekken als wij?
Uiteindelijk zijn we op de akker op zoek naar het perspectief van onszelf.
Van de lange weg die de mens is gegaan, vinden we kleine (puzzel-) stukjes op de akker terug. Het is aan de archeologie, deze fragmentjes te duiden, te plaatsen, en uiteindelijk te reconstrueren. Wie op de akker zoekt naar artefacten, zal beseffen, dat hij/ zij staat aan het begin van dat verhaal,; een verhaal, waarvan we uiteindelijk niet alles zullen weten, maar met plezier naar zullen luisteren.

Noten
(1)Tenminste, er zijn geen aanwijzingen tot nu toe, dat Europa vroeger reeds bewoond was. Nieuwe ontdekkingen kunnen ons beeld echter drastisch wijzigen, omdat met name deze vroegste bewoningsgeschiedenis van Europa nog lang niet duidelijk is.
(2)Aangetroffen in het achterste deel van de ‘grot’ met 20 m diepe afzettingen, waarin een 80-tal beenderfragmenten van 2 volwassenen en 2 jongeren
Sima de los Heusos”: verticale schacht met resten van minstens 32 personen (3.00 000 – 2.00 000 j.gel.) met zeer oude Neanderthaler-kenmerken. Ofwel dit was vanwege een ongeluk, maar het lijkt meer op een depositie over langere periode.
(3)Het kan natuurlijk ook zo zijn, dat we van eerdere culturen zoals die van H. Erectus minder aanwijzingen voor een specifieke cultuur hebben teruggevonden. Een tijdsdiepte van vele honderdduizenden jaren maakt, dat het al zeer uitzonderlijk is om botresten terug te vinden. Kannibalisme is zowel bij H. Erectus en ook de latere H. Heidelbergensis aangetoond, en geldt ook als een cultuurverschijnsel.
(4)Richard Leakey, ( geboren 19 December 1944) paleo-antropoloog, zette het werk van zijn ouders Mary en Louis voort in de 20e eeuw. Hoewel Richard Leakey de oudste fossiel van de moderne mens heeft gevonden, was het zijn vader Louis die deze correct toeschreef aan een moderne mens.
(5)De Hamburg Cultuur wordt, samen met de Federmesser Cultuur voorafgegaan aan de “Ahrensburg”Culuurr’, welke verspreid was in grote delen van Engeland, het Noordzeebekken, Duitsland , zuid- en west- Scandinavië en Polen. Deze cultuur bestond gedurende het warme Bølling interstadiaal ( warme periode binnen een lange koude periode) , de korte Dryas II ( welke ca 300 jaar duurde) en een deel van het vroege Allerød interstadiaal.
(6)Persoonlijk ben ik van mening dat de landbouw door delen van de jager -verzamelaar groepen eerst is uitgeprobeerd, hetgeen kan verklaren waarom bijvoorbeeld de Bandkeramiek cultuur 500 jaar na het verschijnen plotseling verdwijnt; acculturatie, het aannemen en uitproberen van bepaalde culturele gebruiken is eigen aan de mens (verspreiding van het maken van pizza’s in de Middeleeuwen, de toepassingen zoals het gebruik van elektriciteit, computers- allez, - kopieergedrag dus) wij doen het tegenwoordig continu met uitvindingen uit Japan, Amerika of China, zonder dat de inwoners van die landen massaal hierheen zijn getrokken om hun techniek hier toe te passen.
( 8) Deze cursus gaat over culturen. Culturen zijn de grootste eenheden waarin je bepaalde vormen van gedrag, gebruiken, gedachten enz. kunt bestuderen. Individualisme is in de archeologie een relatief zeldzaam verschijnsel. Met de reconstructies van mensen uit de prehistorie aan de hand van schedels en skeletten, zien we ineens de individuele mens.
Een mooi voorbeeld is een skelet van ongeveer 7000-7500 jaar oud, dat is gevonden, tijdens de aanleg van de Betuwe route. Ze is heel toepasselijk “Trijntje” genoemd. Haar gereconstrueerde gezicht en lichaam geeft voor eerst een beeld van een Laat- Mesolithische bewoonster van het rivierengebied. Ook de ijsman Ötzi, een 5300 jaar oude mummie, die in 1991 in het Oostenrijks- Italiaans grensgebied is gevonden, geeft veel informatie over persoonlijke details van de prehistorische mens, tot aan tatoeages aan toe.( Dickson et al, 2003, Viegas, 2009).

Epiloog
Eén cultuuraspect is in deze cursus niet echt aan bod gekomen, aangezien dit een verschijnsel is, dat we in de archeologie juist niet verwachten: de taal van de mens. Interassante artikelen hierover zijn eenvoudig op internet te vinden (o.a. Lieberman 1993, Killam 2001). Een overlap met de steentijd technologie vormt de benadering van Montagu ( Montagu, 1976) en James B. Harrod ( Harrod, 2003). Deze laatste wetenschapper koppelt het vervaardigen van een vuistbijl aan het gebruik van taal. Daarbij worden bepaalde vaardigheden die nodig zijn om een vuistbijl te produceren gekoppeld aan bepaalde gedachten patronen, welke zonder taal niet kunnen worden overgebracht op nieuwe generaties. Het gaat dan duidelijk om technieken die worden toegepast om stenen te bewerken, zoals het van je af bewegen van een slag, het afwerken van een rand en het bepalen van symmetrie. Dit zijn zaken, welke zonder taal niet kunnen worden gerealiseerd. Harrod gaat zo ver, dat de fonologie van belangrijke medeklinkers gekoppeld zouden kunnen worden aan bepaalde handelingen voor het bewerken van stenen.
Dit voorbeeld illustreert hoe de archeologie steeds weer nieuwe grenzen zoekt om de immateriële delen van de prehistorische cultuur, zoals bijvoorbeeld de taal, het leervermogen of de perceptie van de wereld van de prehistorische mens te verkennen aan de hand van materiële zaken welke via bodemvondsten bewaard zijn gebleven. Hierin gedraagt de archeologie zich als een deel van de cultuur die zij zelf bestudeert: zij is continu in beweging.

Referenties/ internet

Arora, S. K. (1976) Die mittlere Steinzeit im westlichen Deutschland und in den Nachbargebieten. - Rheinische Ausgrabungen, 17, 1976, S. 56 ff
Ballin, T. Bjarke ( 2013) The Culture Concept and the Ertebølle-Swifterbant Dispute
A spin-off from the debate between Raemaekers and Stilborg(or: the basic elements of prehistoric territorial studies); Lithic research, Stirlingshire Honorary Research Fellow, University of Bradford
British Association for Applied Linguistics (1993) Meeting Language and Culture: Papers from the Annual Meeting of the British Association of Applied Linguistics Held at Trevelyan College, University of Durham, September 1991
Burdukiewicz J.M. (2003) Lower Palaeolithic microlithic technology in Central Europe :morphometric approach . colloque-paleo2003.univ-rennes1.fr PDF
Calvignac, S. Hughes, S. and Hänni C. ( 2009) Genetic diversity of endangered brown bear (Ursus arctos) populations at the crossroads of Europe, Asia and Africa ; Diversity and Distributions, (Diversity Distrib.) (2009) 1–9 PDF
Dickson, James, Oeggl, H. Klausen & Handley, Linda L. (2003) The Iceman Reconsidered , Scientific American
Harrod, James B. (z.j.) Origins.net Oldowan Era ( webpages)
Harrod, James B. ( 2003) Notes on Spoken Early Acheulian (EAPL): Semantic Field and
Correspondences to Cognitive Operations in Biface Technology PDF
Hirst,, K. Krist ; ( Homo Erectus (or H. heidelbergensis) Colonization in Europe Evidence of Early Human Occupation in England Article About. com Archaeology
Horan, Richard D. Bulte,E. and Shogren, Jason F. ( z.j. ) How Trade Saved Humanity from Biological Exclusion: An Economic Theory of Neanderthal Extinction PDF
Hoffecker , John F. ( 2009) The spread of modern humans in Europe; PNAS (Proceeding of the National Academy of Sciences of the United states of America ) vol. 106 no. 38
Huisman, K. and Salverda, R. (2008) Diggelgoud. 25 jaar Argeologysk Wurkferban: archeologisch onderzoek in Fryslan Diggelgoud. Uitg Fryske Akademy
Jacomet, S. & Kreuz, A. (1999) Archäobotanik. Einführung in die Aufgaben, Methoden und Ergebnisse vegetations- und agrargeschichtlicher Forschung, UTB, Ulmer Verlag.
Jakopin, P. [2010] Divje Babe Neanderthaler fluit, gespeeld door Ljuben Dimkaroski; filmpje op youtube; (bemerk wel dat het hier hoofdzakelijk nagespeelde noten zijn van muziekstukken uit onze Westerse cultuur, waarbij de Neanderthaler waarschijnlijk meer van de effecten van toonwisselingen heeft genoten dan van complete gecomponeerde muziekstukken).
Kooijmans, L.P. Louwe (1998) Trijntje van de Betuweroute, Jachtkampen uit de Steentijd te Hardinxveld-Giessendam, , Spiegel Historiael 33, blz. 423-428
Kooijmans, L.P.Louwe (1976)Local developments in a borderland. A survey of the Neolithic at the lower Rhine. Oudheidkundige mededelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden 57, 227-295.
Kotova, N ,(2010) Burial clothing in Neolithic cemeteries of the Ukrainian steppe
Institute of Archaeology, Kiev, Ukraine; UDK 903.5.24(292.486.477)"634"
Documenta Praehistorica XXXVII PDF
Kottak, C. P. ( 2010) Cultural anthropology, Appreciating Cultural Diversity, McGraw-Hill Education - Europe
Kühl, N Gobet, E. (2010) Climatic evolution during the Middle Pleistocene warm period of Bilshausen, Germany, compared to the Holocene, in: Quaternary Science Reviews 29
Lieberman, P. (1993) “On the Kebra KMH 2 Hyoid and Neanderthal Speech.” Current
Anthropology, vol. 34 number 2, pp. 172-175.
Luke-Killam, A. (2001) Language Capabilities of Homo erectus & Homo neanderthalensis LIGN 272 PDF
McCracken, Robert D, (1971) Lactase Deficiency: An Example of Dietary Evolution,
Current Anthropology 12 ( pp. 479-517)
Miotk-Szpiganowicz G , Joanna Zachowicz, Leszek Jurys, Polish (1977) The Late Glacial in Pomerania (Northern Poland): Analysis of palynological records
Montagu, A (1976) Toolmaking hunting and the origin of language ; New York Academy of Sciences 280 pp 266-274
Museumkennis: Trijntje ( webpagina)
O'Neil, D, 2011 ; Human Biological Adaptability: An Introduction to Human Responsesto Common Environmental Stresses, nutritional adaptation( 1998-2013) artikel
Parfitt Simon A; et al. ( 2005) The earliest record of human activity in northern Europe, in: Nature 438, 1008-1012 (15 December 2005) | doi:10.1038 /nature 04227
Raemakers, D; ( 2006) De Spiegel van Swifterbant, Groningen, rede Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen PDF
Raemaekers, D; (1997) The History of the Ertebølle Parallel in Dutch Neolithic Studies and the Spell of the Point-Based Pottery - in : Archaeological Dialogues / Volume 4 / Issue 02 / December, pp 220-234
Rightmire, G. Philip; (2013) Homo erectus and Middle Pleistocene hominins: Brain size, skull form, and species recognition Journal of Human Evolution Volume 65, Issue 3, September 2013, Pages 223–252
Roever, J.P. De (2004) Swifterbant-aardewerk : een analyse van de neolithische nederzettingen bij Swifterbant, 5e millennium voor Christus, Groningen, Barkhuis Publishing
Schwabedissen, H. (1973) E. Archaeological Research 1. Palaeolithic and Mesolithic Periods Eiszeitalter u. Gegenwart Band 23/24 Seite 340-359 Öhringen/Württ. PDF
Solecki, Ralph S., (1977) The Implications of the Shandihar Cave Neanderthal Flower Burial, Annals of the New York Academy of Sciences Volume 29 (July 1977), p. 114-125. PDF
Utah University (2008) The Oldest Homo Sapiens: Fossils Push Human Emergence Back To 195,000 Years Ago Science Daily Article
Viegas, J. ( 2009) Oetzi’s tattoos came from fireplace Science NBC news artikel




Overzicht van belangrijkste culturen Europa:

Periode
West-Europa
Centraal-
en
Oost-Europa
Na het jaar 1000 Middeleeuwen

1000

Begin Middeleeuwen

Einde van de
oudheid
IJzertijd
12     v.C..


IJzertijd
oude Rome
IJzertijd
1000 v.C.

Bronstijd
Klokbekercultuur
Bronstijd
Myceense beschaving
2000 v.C.

Chalcolithicum Touwbekercultuur
domesticatie van het paard
3000 v.C.


ommuurde dorpen

eerste
megalieten

Chalcolithicum
van Centraal-Europa
4000 v.C..

Oude Neolithicum Neolithicum van de Donau


5000 v.C.

Cardiaal-Impresso-cultuur
(landbouw, veelteelt,
pottenbakken)

Tardenoisien”-culturen


landbouw, veeteelt (
varkens, runderen, schapen)
6000 v.C..




Sauveterrien”-culturen
(verzamelen van peulgewassen)
in Griekenland
en Oostelijk Middellandse Zeegebied
7000 v.C.





8000 v.C.

Azilien en Asiloïde-culturen

9000 v.C..

Laat-Gravettien Laat-Gravettien complex
van de vlaktes (
Mezine
Kostienki)
10.000 v.C.

Magdalénien / Hamburg
Solutréen
Epi-
Gravettien
Epi-Gravettien
20.000 v.C..

Gravettien
Aurignacien (kunst)
Pavlovien
Aurignacien (kunst)
30.000 v.C.

Châtelperronien Szeletien
40.000 v.Chr.





50.000 v.C.

Moustérien
(eerste graven)


Moustérien


80.000 v.C.


Micoquien


100.000

Laat-Acheuléen


Laat-Acheuléen


200.000


ayacien




300.000

Midden-Acheuléen
Clactonien
Midden-Acheuléen


500.000

Vroeg-Acheuléen
Choppercultuur
Vroeg-Acheuléen
Choppercultuur
1.000.000 Choppercultuur


Choppercultuur


2.000.000





Culturen in dit deel genoemd:

Neanderthalers- Cultuur ( ca 250.000 - 30.000 BP) Neanderthalers leefden tot ca 40.000 jaar geleden als enige mensensoort in Europa, zij leefden van jacht op grote zoogdieren (Mammoet, Wolharige Neushoorn, Steppe Wisent), leefden meest in grotten en maakten ook zomerkampen ( werktuigen in ons land terug gevonden tot op Ameland ). Werktuigen duidelijk herkenbaar aan techniek ( Levallois). Begroeven hun doden en kenden (bescheiden) vormen van kunst ( fluit van bot).
Hamburg Cultuur: ca 13.000 tot 10.000 BP ; een cultuur die zich bevond in een deel van Noord- West Europa, ( Polen, Noord- Duitsland en Noord- Nederland). Nomadische levenswijze, jacht met speren ( speerwerper) meest op rendieren, welke seizoensmigratie zij volgden. Andere voedselbronnen: visvangst en kleinere prooidieren ( poolvos , hazen). Aangetroffen in Gaasterland ( Kolderwolde).
Noord- Mesolithische en Zuid- Mesolithische cultuur in Nederland, was een deel van en grotere cultuur in West Europa. Vanaf het vroeg Mesolithicum zien we de verscheidenheid in vormen van spitsen en andere microlieten toenemen.
Cardiaal- impresso cultuur (ca 5700 v. C) een Zuid-Europese cultuur die leeft van visvangst en schaaldieren; zij gebruiken schelpen om potten mee te versieren.
Lineaire Bandkeramiek Cultuur : (5.400 v. C. - 4.900 v.C) de eerste boeren in ons land. Zij vestigden zich op de vruchtbare loess gronden van Limburg, maakten potten met lijn en band- vormige motieven, hielden varkens/ koeien en verbouwden graan. Bewoning in zware, langschepige boerderijen van eikenhouten palen.
Ertebølle cultuur, (ca. 5300 v.Chr. - 3950 v.C.) een zich in Denemarken ontwikkelende cultuur die aanvankelijk volledig Mesolithisch was: de economie bestond uit jagen en verzamelen. Vooral in de kuststreek werden veel restanten hiervan gevonden: bergen oesterschelpen, mosselen en beenderen van kleine dieren en watervogels lieten zij achter op de plaatsen waar ze verbleven. De oudste vondsten van de Ertebølle cultuur zijn niet van die van de Swifterbant cultuur te onderscheiden, vandaar dat aan een gezamelijke oorsprong met de Swifterbant cultuur wordt gedacht.
Swifterbant cultuur (5.300 -3.400 v.C.) , aanvankelijk leefden zij nog vooral van de jacht en de veeteelt was meer een bijzaak. Langzaam aan, vanaf ca 4.800 v.C. Vond het boerenbestaan steeds meer zijn intrede in de Noordelijke Nederlanden; daarbij bleef de jacht steeds van belang.
Trechterbeker cultuur ( 4350 tot 2800 v.C.) is een verzamelnaam van een cultuur die zich over een groot deel van West Europa uitstrekte. Deze cultuur is ontstaan uit de Swifterbant cultuur. Kenmerkend waren de rijkelijk versierde ( ingekraste) trechtervormige bekers en het bouwen van hunebedden. De boeren van deze cultuur hielden koeien, schapen, varkens en geiten en bedreven landbouw. Ca. 2900 v. C. zien we een abrupte overgang naar het gebruik van klokbekers.
Klokbekercultuur ( 2900 - ca 2400 v.C) , de opvolgende cultuur na de trechterbekercultuur. De randvormen van de bekers en urnen vertonen een s- vormige knik, waardoor ze op klokken lijken. Vanaf deze periode worden de mensen niet meer collectief begraven in een hunebed, maar allen begraven zodat we ook ( verwarrend) spreken van de enkelgraf-cultuur.

Deel 3 “Landschap, geologie en vegetatie in de archeologie ”


Inleiding
Dit cursusdeel handelt over de omgeving waarin de prehistorische mensen verbleven. Deze fysieke omgeving , gebaseerd op zowel geologische factoren als de bijbehorende vegetatie, vormde het landschappelijk kader waarin de prehistorische mens verbleef. Het landschappelijk kader is steeds aan verandering onderhevig, zodat het landschap zoals wij dat buiten ontmoeten, een slechts een momentopname in de geschiedenis is.
Dit kader bepaalde in hoge mate de mogelijkheden voor de mens om zich binnen een bepaald gebied te handhaven. Zo is het logisch dat op arme zandgronden moeilijk landbouwgewassen verbouwd kunnen worden, waardoor een boerenbedrijf zonder kunstmest of intensieve bemesting om de vijf a tien jaar verplaatst zou moeten worden, terwijl dit op de vruchtbare loess en in de kleigebieden in het geheel niet noodzakelijk is. Een ander voorbeeld is de aanpassing van de mens tegen extreme koude gedurende de ‘ijstijd’, welke niet alleen bestond uit het zich dik moeten kleden en beschutting zoeken in warme grotten, maar ook in grote mate de voedselkeuze bepaalde: de vrijwel totale afwezigheid van een ( eetbare) vegetatie, maakte dat Neanderthalers niet bepaald als vegetariërs door het leven konden gaan. Om in het koude klimaat, waarin uitsluitend grotere zoogdieren konden leven, aan voldoende calorieën te komen was, voor wat betreft de stofwisseling van de Neanderthalers, minimaal twee kilo vlees per dag nodig.
Gedurende wisselende omstandigheden heeft de mens zich succesvol weten aan te passen. Waar anders is dit beter zichtbaar dan in Friesland, waar de mens eerst terpen en later dijken opwierp om een bestaan in dit buitengewone gebied mogelijk te maken. In de prehistorie was de mens gedwongen keuzes te maken, nieuwe wegen uit te proberen,
en zich daarin zo veel mogelijk aan te passen aan de fysieke omgeving.
In dit cursusdeel bezien we allereerst de chronologische veranderingen in het klimaat en de reactie van de vegetatie hierop. Met de wijziging in vegetatie veranderden ook de mogelijkheden voor de fauna om in een bepaald gebied te leven. De methoden binnen en buiten de archeologie die noodzakelijk zijn om dit kader te bestuderen zijn de archeobotanie  (bestudering van botanische macroresten, zoals fossiele zaden, bladeren, enz., in samenhang met de mens) de palynologie (bestudering van fossiel stuifmeel om een reconstructie van de vegetatie te maken) en de archeozoölogie (de bestudering van menselijke en dierlijke resten, meest botmateriaal, in samenhang met de mens). Het valt niet in het kader van deze beperkte cursus om hier verder op in te gaan.
Een belangrijke pijler voor het bestuderen van de fysieke omgeving van de prehistorische mens is de geologie. Immers, de bodem (-gesteldheid) bepaald in hoge mate de grenzen van een ecosysteem; zo bepaalt de bodem heel specifiek welke flora zich er kan ontwikkelen. Een grove den zal het niet doen in zware zeeklei, terwijl wilgen het in zandgrond niet doen. We bezien de relatie tussen deze verschijnselen, waarbij de grenzen van een ecosysteem tegelijk de grenzen zijn van de mogelijkheden waarbinnen de prehistorische mens gedwongen was te opereren.

Leerdoelen
 Het duidelijk hebben hoe de gezamenlijke factoren van bodem (geologie) , vegetatie
en klimaat het landschappelijk kader hebben gevormd, waarin de mens zich
voortdurend heeft moeten aanpassen
 Het begrijpen hoe de vegetatie zich continu heeft gewijzigd , afhankelijk van het klimaat
 De opeenvolging van enkele klimaatsveranderingen  (ijstijd- warmere periodes)
begrijpen en de landschappelijke veranderingen die hierdoor zijn ontstaan herkennen

Het kader: veranderende landschappen, veranderende vegetatie
Zoals we het landschap nu zien is een momentopname. Een voorbeeld van ongeveer 400 miljoen jaar geleden illustreert dit direct: we zien dan een wereld, waarin nog geen zoogdieren of reptielen bestaan, en een totaal ander landschap. Nederland lag op de aarde op een totaal andere plaats, namelijk ergens bij Suriname. Dit betekende, dat de evenaar vlakbij was, waardoor het tropisch klimaat het landschap direct beïnvloedde. Op de geografische plaats van het huidige Nederland, lag 400 miljoen jaar geleden nog een grote, dieprood gekleurde woestijn waarop zich een enorm gebergte uitstrekte, we noemen dit “Het oude rode continent”, waarvan in bijvoorbeeld België , Duitsland en
Engeland nog delen aan het oppervlak voorkomen. (België: Eupen, Duitsland: Aken -oost). In feite was dit continent veel groter, een deel van het huidige West-Europa was nog met Noord -Amerika verbonden. Het continent wordt dan ook Euramerika genoemd. Nederland was ook deel van een gebergte -keten dat ongeveer 400 - 900 meter hoog was en ten zuiden van de Belgische plaats Eupen aan zee grensde. Waar nu de Hoge Venen (B) zijn gelegen, met de uitgestrekte dennenbossen en de veenmoerassen, stonden we destijds aan een keien- kust , waar de golven van een smalle strook oceaan op het oude continent
rolden... De locatie van ons land op dit continent is hieronder afgebeeld...(bron:
Wikipedia)
Afb. 2. Het oude rode zandsteen continent, ongeveer 400 miljoen jaar geleden. Nederland was deel van een continent, waar Noord-Amerika nog met Europa was verbonden: Euramerika. Nederland vormde een deel vane en gebergteketen, dat diep rood gekleurd was, vanwege het vele ijzer in de bodem; het landschap was een woestijn, waarin uitsluitend primitieve insecten leefden. Het leven speelde zich hoofdzakelijk af in de oceanen. Ten zuiden van Nederland, ergens dwars door België, lag een uitloper van de Rheïsche Oceaan, die Euramerika van een ander werelddeel, Gondwana scheidde. Dit toont aan, hoe veranderlijk het uiterlijk van landschappen is; over een miljoen jaar zal Nederland er totaal anders uitzien, waarschijnlijk daalt het westen verder omlaag (en zal uiteindelijk in zee verdwijnen) en stijgt juist het oosten, onder invloed van vulkanisme in de Eifel (zie ook:TNO / Geological Survey of The Netherlands in de referenties)
De geologie bestudeert aardlagen en geologische processen zoals vulkanisme, opbouw en afbraak van gebergten, enzovoort, zodat we een idee hebben van hoe de aarde er in prehistorische tijden heeft uitgezien. Voor deze cursus is alleen de geologie van de bodem uit de laatste ijstijden van belang, vanaf ca 500.000 jaar geleden, we spreken dan over de geologie van de ondiepe bodem of van quartaire geologie. (Hoek, 2000). Dit laatste, de quartaire geologie heeft betrekking op de vorming van de ondiepe bodem, gedurende de laatste 2½ miljoen jaar, waarvan we het in deze leestekst nog maar hebben over de laatste 150.000 jaar. Deze laatste periode werd gekenmerkt door langdurige koude perioden,waarin weliswaar kortdurende warmere fasen optraden, maar die vormden de
uitzondering op de duizenden, ja zelfs tienduizenden jaren van vaak extreme koude. Deze koude perioden noemen we glacialen, de warme perioden tijdens de koude perioden, noemen we de interstadialen. Deze indeling is van groot belang in het begrijpen van de aanwezigheid van de prehistorische mens in het Gaasterland: tijdens glacialen, waarbij de gemiddelde juli-temperatuur afwisselend varieerde tussen 12 - 13/ 15 °C, heerste er een pool- klimaat, waarin geen leven mogelijk was. De wind had vrij spel en voerde massa’s
zand aan uit het droog liggende Noordzeebekken en bedekte het Gaasterland met een tot plaatselijk 2 meter dikke zandlaag. Dit zand noemen wij het dekzand en het is niet in eenmaal naar het Gaasterland getransporteerd, maar steeds opnieuw ‘opgetild’en weer enkele tientallen meters verplaatst. Dit, in tegenstelling tot de veel lichtere loess, welke op veel grotere hoogte werd getransporteerd, en in Zuid-Limburg plaatselijk in tot 10 meter dikke lagen is afgezet, tot een hoogte van ca +180 meter N.A.P..
De in het Gaasterland verschenen Neanderthalers zijn zeer waarschijnlijk tijdens een langer interstadiaal (warmere periode tijdens een langdurige koude periode) naar het Gaasterland gekomen, voor de jacht op grote zoogdieren. Zij bevonden zich dan op een toendra, begroeid met dwergberkjes, poolwilgen, zeggen en grassen; (Straka, 1957; Janssen, 1964; Hoek, 2000) en hooguit hadden zich, bij een stijgende temperatuur, berken en wilgen gevestigd rond poelen. Een dergelijke toendra kunnen we niet direct vergelijken met de huidige toendra’s in sub- arctische gebieden; eenvoudig, omdat de zon op onze noorderbreedte een veel hogere stand kon bereiken in de kortdurende zomers.
Tijdens de interstadialen steeg de gemiddelde juli-temperatuur naar ca 15-16 °C, waarbij een geringe vegetatie zich vestigde, bestaande uit grove dennen en berken. In een dergelijk, taiga -achtig landschap, waarin deze bomen vooral in verspreide groepjes voorkwamen (Janssen 1964), treffen we in het laat -Paleolithicum de rendierjagers.

Afb. 3.Landschap, zoals dat eruit gezien zal hebben in de overgang tussen de lange ijstijd en de huidige warme periode ( interglaciaal). De eerste berken verschijnen en de poolwilgen worden verdrongen door gewone wilgen; eerst later komen ook verspreid grove dennen voor. Voorwaarden zijn: de permafrost voorbij Gemiddelde Juli-temp > 15°C + gemiddelde Januari temperatuur is >- 4°C ; er is geen langdurige droogte ; de bodem kan voldoende afwateren en voldoende nutriënten bevatten. Er ontstaat dan een bos van grove dennen en berken, erna verschijnt de lijsterbes.  Op de overgang naar het huidige Holoceen, een warme periode, begon de grote ijsmassa te smelten. Dit had grote gevolgen voor het klimaat én het landschap: het werd vochtiger, overal ontstonden beekjes, riviertjes, kwelwaterbronnen en de zeespiegel steeg. Dit had, als vanzelf grote gevolgen voor de prehistorische mensen.Met het stijgen van de temperatuur, verschenen eerst soorten als de hazelaar en de hulst. Van de hulst is bekend, dat de gemiddelde januaritemperatuur hoger moet zijn dan minus twee graden Celsius, om bessen te kunnen produceren; anders wordt immers geen stuifmeel gevormd (Jacomet
& Kreuz,1999). Het afsmelten van het landijs heeft overigens nog duizenden jaren
geduurd, waarbij een theorie een verklaring geeft voor het plotseling vollopen van de
Zwarte Zee rond 5600 v.C, als gevolg door het voortdurend stijgen van het zeeniveau na het afsmelten van het landijs, wat begonnen was ca. 10.000 v.C. (Turneya, & Brown, 2007) e.e.a. Wordt zelfs in verband gebracht met de verhalen over de Bijbelse zondvloed Maar de discussie hierover is nog niet gesloten (Kerr, 2007).
Gedurende de extreem koude perioden, waarbij de permafrost (permanent bevroren bodem) zich zelfs tot Bordeux in Frankrijk uitstrekte, trokken de ons zo bekende boomsoorten zoals eik, linde, esdoorn en els zich terug in een smalle kuststrook van Zuid-Europa. Zodra het warmer werd zien we de boomsoorten zich verder naar het noorden verspreiden, eerst de grove dennen, waarvan het pollen zich over grote afstanden hoog in de lucht kan verspreiden. De bosvegetatie herstelde zich, tot een maximum tijdens het Mesolithicum, wanneer grote delen van Europa begroeid zijn met uitgestrekte,
monotone lindenbossen. ( in het Gaasterland: Eiken-Lindenbossen). Afhankelijk van de bodemgesteldheid en het klimaat vinden we verder grote eiken- berken bossen, een climax vegetatie op zandige en leemarme, stagnerende bodems. In het Gaasterland zal vooral de zachte berk in deze associatie overheersend zijn geweest, aangezien de bodem natter was ( slechter afwatert vanwege de keileem-bodem, zie volgende paragraaf) en meer venig.
In zulk een vegetatie vinden we vaak ook grove dennen op de zandkopjes.
Tijdens het Neolithicum, doet de landbouw de intrede. In het Gaasterland is dit eerst niet merkbaar en wordt vooral nog gejaagd door laat- Mesolithische of Vroeg Neolithische jager- verzamelaars van bijvoorbeeld de Swifterbant-cultuur. Pas in het Midden - Neolithicum zal het Gaasterland voor het eerst voor landbouw zijn gebruikt, maar dit is nog niet zeker (steenkist van Rijs, 
De Trechterbeker Cultuur
ca 3500 v. C). Het beoefenen van landbouw betekende een grote aanslag op het landschap. Niet alleen werden bossen gerooid, de oorspronkelijke linden- bossen werden langzaam maar zeker vernietigd en vanaf de late Bronstijd, ca 1100 v. C. zien we de beuk in ons land verschijnen en precies op die plaatsen groeien waar voorheen linden stonden: beukenbossen hebben dezelfde associaties (ecologische verbintenissen) als linden- bossen, zodat de linden in feite door beuken zijn vervangen... Ook de beekdalen werden ontgonnen en gebruikt als hooilanden.
In het Gaasterland zal dit, als het al is gebeurd, op zeer beperkte schaal hebben
plaatsgevonden, aangezien er langdurige veengroei heeft plaatsgevonden in de periode vanaf het Mesolithicum.

Geologie en relatie met de prehistorische mens
De ondergrond van Gaasterland is gevormd door het landijs uit Skaninavië. Deze
ijsbedekking met een dikte tot wel 1000 meter in delen van Noorwegen (Winguth et al. 2005), schoof over een lengte van bijna 1500 km vanuit het noorden over Gaasterland en kwam precies boven Gaasterland tot stilstand. In het Gaasterland zal de dikte van de ijskap dan ook niet zo groot geweest zijn (eindmorene na een vlak gebied) (Evansa, Clark & Mitchella, 2005).
Het landijs transporteerde een deel van de (opgeloste) bodemlagen uit de brongebieden van Zuid-Zweden en Denemarken, waarin veel Krijt en Tertiair vuursteen voorkomt (Krijt: ca 65 miljoen jaar geleden, Tertiair vanaf ca 50 miljoen jaar geleden, Surlyk, 2006).
Met dit transport van al die stenen werd ook zand, kalk en kleiner grind meegevoerd en langzaam onderweg vermalen, tot een plakkerige brei, die we keileem noemen. Keileem is dus vermalen stenen, klei, leem en een bepaalde hoeveelheid water, en tezamen vormt het een materiaal waar water niet doorheen kan. Deze keileem zorgt dus voor zogenaamde stagnerende bodems. Na het smelten van het landijs zag het Gaasterland er aanvankelijk nog bontgekleurd uit: gele en rode vlakken keileem waren zichtbaar, met daarin een enorme hoeveelheid stenen, soms zelfs hele grote!
Na het afsmelten van het landijs ,brak plotseling een warme periode aan: het Eemien, zo genoemd naar het riviertje de Eem bij Amersfoort,waar deze bodemlagen van deze periode eerst zijn ontdekt. Dit Eemien was een lange warme periode, maar de vegetatie is in deze lange periode niet altijd hetzelfde geweest. Tijdens het Eemien, dat ongeveer duurde van 128.000 tot 116.000 BP, is de temperatuur veel hoger geweest dan nu, ca 1-2 graden gemiddeld hoger. Dit betekende, dat zelfs nijlpaarden in Zwolle in de IJssel zwommen, en vermeldenswaard is verder, dat de Rijn destijds juist ten zuiden van het
Gaasterland uitstroomde in een enorme zee, waarvan de kustlijn werkelijk tot aan
Amersfoort reikte (Amersfoort -aan -Zee, laag Nederland volledig onder water, zie Natuurinformatie Laat-Pleistoceen ). Van menselijke bewoning in deze warmere periode is niets gebleken, waarschijnlijk omdat de kustmoerassen voor de Neanderthalers niet zo interessant waren ( gebrek aan grote zoogdieren), of moeilijk te bereiken waren.(1)
Na het Eemien breekt weer een lange, koude periode aan, het zal de laatste ijstijd
worden: het Weichselien. Echter, in de ca 110.000 jaar lange koude periode vinden we 23 perioden waarin de temperatuur wat meer oploopt, waardoor ook de vegetatie zich kan aanpassen ( zie ook onderstaande afbeelding).

Afb. 4. Uitleg bij de afbeelding hierboven: Het Weichselien is een afwisseling geweest van open vlakten en bos. De open vlakten vinden we tijdens de koude perioden, de bossen ontwikkelden zich tijdens de warmere fasen. In het Vroeg Weichselien vinden we Berken -dennen bossen die tot ontwikkeling kunnen komen gedurende de interstadialen ( warmere fasen) , deze periode die zo’n 50.000 jaar duurt is overwegend (zeer) koud. Rond 54.000
BP vinden we het eerste koude maximum, waarna zich in de interstadialen berken - dennenbossen ontwikkelen waar ook populieren en elzen voorkomen (duidend op meer vocht, meer afsmelten van ijs). Rond 22.000 BP vinden we het koudste punt, met de maximale ijs-uitbreiding, ( niet over Nederland), waarin we de minste bosvegetatie op het Noordelijk halfrond kunnen aantreffen. Vanaf ca 12.000 v. C. Is het al warm genoeg dat de bodem bacteriën bevat, waardoor een echte bodem zich kan vormen (vergelijk humus, veen,podzol, enz).

Door transport van fijn zand vanuit het droog liggende Noordzee bekken is het
Gaasterland bedekt geraakt met dekzand, plaatselijk ca 1- 2 meter dik, maar op veel plaatsen is deze dekzandlaag geërodeerd of verstoven. In die laatste gebieden vinden we, naast vele noordelijke zwerfstenen ook vuursteen aan het oppervlak. Op de hellingen waar het hellingpercentage het grootst is, zoals rond Oudemirdum, Rijs en Bakhuizen is ook steeds de (prehistorische) erosie het grootst geweest. De prehistorische mensen van het laat- glaciaal vonden het vuursteen voor de werktuigen rond glaciale bekkens, rond kleine poelen en vooral waar water voor erosie zorgde en de keileem- bodem zichtbaar maakte: bij bronnen en kleine stroompjes. Dergelijk bronnen stroomden vanaf de keileem -hoogten, waar in het laat paleolithicum nog grote poelen zijn geweest; dit vanwege de ondoordringbare keileem- laag, zodat het water zich vanuit een groot gebied verzamelde en op geschikte plaatsen als bronnen ‘over de rand van de
keileem-kommen stroomde’. Zie ook afbeelding hieronder.
Het Oudemirdummer Klif: de bovenste laag bestaat uit een podzol bodem (is een zandige, schrale bodem), hieronder  is  duidelijk de rode kleur te zien van de keileem- laag. Onder deze laag ligt eveneens keileem, vermengd met zand 

Deze bronnen hebben steeds een enorme aantrekkingskracht op de prehistorische mens en zelfs in de IJzertijd en de vroege Middeleeuwen vinden we nederzettingen vaak bij een bron.
Geschikte plaatsen om (langer) te verblijven in het landschap werden gevormd door de bodemgesteldheid (afwatering, is het eenvoudig om de begroeiing te verwijderen,) de heersende windrichtingen (afhankelijk van het klimaat vermeed men liever de oostenwinden of noordoosten winden), de zonzijde (als warmtebron, maar ook voor de lengte van het daglicht) en de beschikbaarheid van water en andere natuurlijke hulpbronnen, zoals hout (onderkomens) vuursteen (werktuigen). Vanzelfsprekend moest in het gebied voldoende voedsel te halen te zijn, om een langer verblijf mogelijk te maken.
We vinden nederzettingen uit het Mesolithicum en het vroege Neolithicum eigenlijk altijd op verhogingen in het landschap, aangezien deze periode niet alleen vrij warm was, maar ook behoorlijk nat. Droge voeten hebben was dus onontbeerlijk. Dit betekent, dat men letterlijk hoog en droog verbleef, omdat deze plaatsen meestal goed afwateren. Meestal, want in het Gaasterland zien we, dat in de bossen overal diepe geulen gegraven zijn bij de aanleg van de bossen. Daar, waar de keileem- bodem te ondiep aan het oppervlak ligt, watert deze zeer slecht af en staan bomen met hun wortels constant in het water. Voor de
archeologie zijn deze plaatsen niet zo interessant, want deze plaatsen hebben ook in het verleden niet goed afgewaterd. Interessant zijn die (bos- weide- en ) akkergebieden, waar het niet nodig is om te ontwateren. Enerzijds betekent dit, dat de dekzandlaag dik genoeg is, anderzijds, kan het betekenen dat de keileem-laag dieper ligt. Juist op eroderende vlakken in dergelijke gebieden, is het mogelijk om artefacten uit de steentijd te vinden: de prehistorische mens verbleef daar op de afwaterende randen van de keileem- plateaus, waar een dunne laag dekzand het oppervlak bedekte.( zie ook Zagwijn, 1986)

Afb. 5. Voorbeeld van een mogelijke reconstructie van een deelgebied ten oosten van Oudemirdum, gebaseerd op de Algemene Hoogtekaart Nederland( AHN. nl - viewer); in deze situatie is duidelijk de komvormige verdieping zichtbaar, met een hoogteverschil van ca 5 meter ten opzichte van de omliggende zandruggen. Op de randen van deze zandruggen bevonden zich bronnen, waarvan er sommige nog in 2013/2014 zichtbaar zijn na langdurige regenval; voor agrariërs betekent dit een groot probleem met drainage van onderliggende akkers. In de prehistorie stroomden verschillende kleine beekjes naar
een groter worden beek omlaag en stroomden noordwaarts richting de Luts; Nabij het blauwkleurige rondje zijn een 20 -tal artefacten gevonden, waarvan een trapeze spits uit het Laat-Mesolithicum/ Vroeg Neolithicum de periode aanduidt. Deze plaats is
vermoedelijk gebruikt om werktuigen te maken van het vuursteen, dat in deze kleine beekjes zichtbaar was vanwege de uitspoeling door het water.
We moeten ons het landschap van Gaasterland in de prehistorie steeds voorstellen zonder de aanwezigheid van de Zuiderzee of het IJsselmeer. Ten tijde van de Neanderthalers liep je vanuit het Gaasterland zo naar Engeland, terwijl de Laat Paleolithische jager- verzamelaars ook nog gebruik konden maken van het gebied in de huidige Waddenzee en Noordzee. Gaasterland lag dus in het geheel niet in de nabijheid van water. In de Laat-Mesolithische en Vroeg Neolithische periode was het Gaasterland door een langgerekte zandrug verbonden met Texel; de stijgende zeespiegel had de Noordzee al vol laten lopen en de eerst grote veenvorming vond plaats in de stagnerende laagtes (afwateringsgebieden). Hier werd veen gevormd,, waarin ten tijde van stormen delen werden weggeslagen waardoor poelen ontstonden. Het zijn deze overgangsgebieden, van droog naar nat die op de laat-Mesolithische jager verzamelaars een grote aantrekkingskracht hebben gehad: ze konden als het ware profiteren van meerdere biotopen: die van de lagere veengebieden , waarin veenstroompjes lagen ( met op de
zandige randen boomsoorten als hazelaar, wilgen en elzen) en van de hogere delen, waar andere voedselbronnen beschikbaar waren (bramen, frambozen, hazelnoten, eikels).
In de tijd van de Trechterbeker Cultuur (ca 4000 v. C.) zien we dat de veenvorming doorgaat, maar het Gaasterland is vanuit het oosten verbonden met de hogere delen van Drenthe. De makers van de steenkist van Rijs hebben waarschijnlijk in de buurt gewoond.
Evenwel kan dit net zo goed ten zuiden van de steenkist zijn geweest, zodat ieder spoor hiervan in het IJsselmeer is verdwenen.
We weten verder niets van het landgebruik van de Trechterbeker Cultuur in Gaasterland.; ook niet hoe lang ze er verbleven. Officieel loopt deze cultuurperiode door tot ca 2700 v.C. , maar we weten niet of er sprake geweest is van continue aanwezigheid/ bewoning.
In het Laat-Neolithicum (ca 2200 v.C) zien we (opnieuw?) aanwezigheid van
prehistorische mensen. Nu gaat het waarschijnlijk niet om boeren, die zich in het gebied vestigen, maar om tijdelijke jachtkampen van boeren uit het oosten ( Drenthe), die het Gaasterland als jachtgebied gebruiken. Nog steeds wateren de beken af van de hoge keileem- plateaus, de Luts stroomt naar het noorden, maar de stroomrichting van de meeste beken zal in richting zuidwest zijn geweest, aangezien zich daar een lage vlakte bevond, die later gemakkelijk kon vollopen en de Zuiderzee zou gaan vormen. Nog in de
Romeinse periode lag de kustlijn kilometers verder naar het zuiden dan tegenwoordig. Volgens de Romeinse consul en historicus Tacitus waren de Lage Landen te nat om in te lopen en te droog om in te varen en beschreef hij drijvende eilanden vol bomen (Lindauer, 1975). Wellicht werd hier het afkalven van de veengebieden langs de oevers van het huidige IJsselmeer aangeduid. Wie nu bij het Gaasterland over het IJsselmeer kijkt, zal zien, hoe ondiep het IJsselmeer hier is. Een groot gedeelte van de stuwwallen welke nu tot aan de huidige IJsselmeerkust reiken, is door stormen van de voormalige
Zuiderzee, gedurende ongeveer zes eeuwen afgeslagen, waarbij de huidige kliffen zijn ontstaan. Tijdens de Late IJzertijd - Romeinse periode alsook tijdens de Vroege Middeleeuwen was het Gaasterland op zich een geschikte vestigingslocatie. Het uitblijven van archeologisch onderzoek in dorpskernen (welke het meest gunstig liggen voor bewoning) maakt, dat we hiervan geen enkel beeld hebben. In de buitengebieden liggen nog hogere dekzandruggen en delen van de stuwwal, waarop we late IJzertijd en
vroeg middeleeuwse bewoning mogen verwachten: de stuwwal bij Bakhuizen - Rijs, nabij Hemelum, Oudemirdum en langs de hoogte van de Hege Bouwen achter Nijemirdum- Sondel. Tot nu toe, worden eventuele vondsten uit laatstgenoemde perioden steeds in verband gebracht met opgebrachte aarde, maar in hoeverre dit werkelijk het geval is, is niet bekend.

Op de akkers, in de velden
Wie het Gaasterland doorkruist ziet de oudste landschapsvormen, de eind-morene van het landijs terug in de hoogten zoals bij Bakhuizen, Mirns en Oudemirdum. Hier liggen dus de oudste zichtbare landschapselementen van het Gaasterland. Aan de randen van deze hoogten zijn vondsten van artefacten van Neanderthalers in principe mogelijk. Erosie zal mogelijk hebben plaatsgevonden tot op het oudste vlak:de keileem-bodem. Daar waar we op de keileem-bodem lopen, zoals wanneer een poel is uitgegraven, of wanneer het dekzand is verwijderd/ verstoven, lopen we op de bodem waarop de Neanderthalers en Mammoeten hebben gelopen. De laat-Paleolithische jager- verzamelaars kozen de zandige gebieden nabij grotere poelen uit om op te verblijven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er artefacten zijn aangetroffen bij Kolderwolde uit deze periode: een plaats, waar de bodem juist oploopt vanuit het glaciaal bekken, dat destijds al gevuld is geweest met water, al zal het aanzienlijk kleiner zijn geweest gedurende de koude
perioden( droger klimaat) vergeleken met de huidige situatie (de Fluessen). Ook de Mesolithische en vroeg Neolithische mensen kozen deze gebieden, maar zij zochten het vooral hogerop, vanwege het veel nattere klimaat. De mensen van de Trechterbeker Cultuur woonden niet ver af van een uitgestrekte laagvlakte (de contouren van het huidige IJsselmeer)waarin ze nog konden jagen op waterwild, enz.), en het is goed mogelijk dat het gebied is verlaten vanwege de veelvuldige veengroei in al het omliggende gebied rond Gaasterland, zodat Gaasterland als een soort ‘zand - eiland’ in een groot veengebied kwam te liggen, vergelijkbaar met bijvoorbeeld Texel.
De prehistorische mens verbleef dus bij voorkeur in overgangsgebieden tussen hoog/ laag (droog/ nat) en dit zijn de gebieden waarin mogelijke resten van steentijd plaatsen zijn te verwachten.Vanzelf is dit anders voor het Laat-Paleolithicum, dan voor bijvoorbeeld voor de Vroege Bronstijd. In het algemeen geldt dit echter wel: daar waar zich kleine insnijdingen in het plateau bevinden, zou dit kunnen duiden op de aanwezigheid van (prehistorische) bronnen, waar eveneens erosie heeft plaatsgevonden. Wanneer we op een licht hellend vlak lopen, moeten we bedenken, dat de bodemlagen ten opzichte van elkaar zijn verschoven. Veelal is een deel van de bovenste laag over een andere laag heen geschoven, zodat we artefacten uit één vondst-concentratie niet zelden in twee parallel aan de helling lopende gebieden terugvinden.

Afb. 6. De situatie op hellingen in het Gaasterland in Paleolithicum (tot ca 10.000 jaar geleden), Mesolithicum- Vroege Bronstijd (ca 10.000 - 2000 jaar geleden) en het heden, vergeleken in een eenvoudig schema. In het Paleolithicum is de keileem-bodem (bruine lijn) overal zichtbaar en vult het glaciaal bekken zich met water; op de stuwwallen liggen depressies waarin water zich verzamelt. Tijdens de laatste lange koude periode , het Weichselien wordt dekzand (gele lijn) over de keileem afgezet. Tijdens de lange periode van het Mesolithicum tot de Vroege Bronstijd vullen de laagtes zich met veen (groene lijn), waarin veen- stroomjes het water afvloeien naar de meer zuidelijk gelegen beken;
door bewerking van de bodem door de mens en door het naar beneden stromende water uit bronnen op keileem-bulten, verplaatst het dekzand zich door erosie en verstuiving, waardoor het in ‘colluviale lagen’ ontstaan. Hierbij glijden artefacten zelfs op flauwe hellingen al naar beneden,afhankelijk van de duur van een ontbrekend vegetatie- dek (door beweiding, landbouw).
Bij het zoeken naar mogelijke sporen uit de steentijd is het dus verstandig om in het landschap te letten op verschillen in hoogte, het zichtbaar zijn van een keileem laag (meest roodgekleurd bij Oudemirdum, maar ook vaak geel- beige gekleurd) en het voorkomen van natuurlijk vuursteen in de aangeploegde laag. Vaak zal het bewerkte vuursteen juist daar voorkomen, waar het natuurlijk vuursteen aan het oppervlak zichtbaar is, maar dit is geen vereiste- dit is namelijk afhankelijk van hoe diep de ploeg de aarde heeft omgewerkt, de oorspronkelijke bodemlaag waar de artefacten zijn achtergelaten, de mate van erosie en of artefacten in een afgeschoven dekzandlaag zijn terecht gekomen.
In het landschap zijn oude beekdalen nog dikwijls zichtbaar in het landschap, vaak te herkennen aan een licht glooiend, U- vormig profiel en vanzelfsprekend licht hellend. Brongebieden zullen vaak zijn opgevuld en genivelleerd door verstoven dekzand. Wie ten westen van Oudemirdum achter de sportvelden kijkt, zal daar een enorme laagte aantreffen, een oud brongebied van een beek, welke richting zuidwest heeft afgewaterd.
Dit is in het veld nog goed zichtbaar. We kunnen er van uit gaan, dat zich op de zuid en west georiënteerde oevers van dergelijke beken en de dieper gelegen poelen, op verschillende plaatsen kleine jachtkampen hebben bevonden, welke op geschikte plaatsen zoals eroderende paden/ akkers vuurstenen artefacten kunnen opleveren die daar zijn achtergelaten.Zie ook afbeelding hieronder.

Afb.  Detail van het Gaasterland uit de Algemene Hoogtekaart Nederland, ingesteld op max. 12 m. en minimum -2 m. N.A.P. hoogte. De zwarte pijlen geven de richting aan, waar het water n het verleden door naar omlaag heeft gestroomd, west van Oudemirdum en in de Marderhoek, ten zuiden van Oudemirdum. In blauwe lijnen zijn oude laagten voorgesteld, waar in de prehistorie waarschijnlijk water in heeft gestaan, geschikte locaties, waar op waterwild kon worden gejaagd, vandaar dat hier op geschikte locaties
vuurstenen artefacten kunnen worden aangetroffen (op de zuidelijke en westelijk
georiënteerde hellingen, maar ook soms op noordelijke hellingen, afhankelijk van de aanwezigheid van een plateau).


(1) In hoeverre de Neanderthaler aangepast is geweest aan een warm klimaat als het Eemien is onduidelijk. Wel zijn Neanderthaler vondsten bekend uit perioden waarin ook bos-intwikkeling heeft plaatsgevonden zoals in Frankrijk ( INRAP, 2009) en in de Belvedere Groeve bij Maastricht (Roebroeks, 1988).

Referenties
Brinkkemper O. (2003-2005) RADAR relationele archeobotanische database van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), Amersfoort
Cordy J.M. (1991)Paleoecology of the late glacial and early postglacial of Belgium and neighbouring areas
Ehlers, J. (ed.), (1983) Glacial deposits in North-West Europe. Balkema, Rotterdam. Glacial Vegetation NOAA USA gov dept. 2003/2004
Evans, D.J.A.,  Clark, C.D. and Mitchell, W.A. (2005) The last British Ice
Sheet: A review of the evidence utilised in the compilation of the Glacial Map of
Britain. Earth-Science Reviews, 70 (3-4). pp. 253-312.
Groen, L.J. (2008) comparison of 16 pollendiagrams of North West -Europe (unpubl, Cult. Erfgoed Maastricht / 2004)
Hoek W.Z. (2000) Abiotic landscape and vegetation patterns in the Netherlands during the Weichselian Late Glacial Journal of Geosciences 79/4 2000
Hussein Kamal M , Damascus Syria Jaral –El-Opgravingen in de Arab groeve ,1998
Jacomet, S., & A. Kreuz (1999) Archäobotanik : Aufgaben, Methoden und Ergebnisse vegetations- und agrargeschichtlicher Forschung, Stuttgart.
Janssen C.R. (1960) On the late –glacial and post-glacial vegetation of South Limburg NL JSTOR Diverse bronnen /afbeeldingen internet, interscience.
Lindauer, J. ( 1975) Germania. Bericht über Germanien, Vertaald en
becommentarieerd door (München, 1975).: De origine et situ Germanorum (Over de oorsprong en de ligging van de Germanen) door Tacitus, - 69 n.C.
Kerr R.A. (2007) Support Is Drying Up for Noah’s Flood Filling the Black Sea, Science, 17 augustus 2007, vol. 317.
Mulder, E. de, Geluk, M.C., Ritsema, I., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. (eds.), (2003) De ondergrond van Nederland. Geologie van Nederland, nr. 7
Meijer Hanneke (2006) Flora en fauna “Holt und Haar|”gegevens uit een Weichselien groeve gecombineerd Van Geel/ Van der Steeg in: Cranium23 nr.2- Hoek et. al;) [hfdst 6] 2003 Late glacial environmental changes recorded in calcareous gyttjadeposits at Gulickshof, Southern Netherlands
Mörner Nils Axel Eustatic and climatic changes during the last 16,000 years G&M 48- 41969
INRAP (2009) Neanderthal man discovered in the Eemien. A fundamental discovery. On line since September 27, 2009 · Updated November 18, 2009
Neff, Peter (2004) Eric Steig and Ed Waddington, (faculty advisers)
Geologija: Palynological characteristic of Karganian deposits in Surgut Priobye (Late Pleistocene of West siberian Plain) Vilnius 2007 p. 25-33
Roebroeks, W., (1988) From find scatters to early hominid behaviour: a study of Middle Palaeolithic riverside settlements at Maastricht-Belvédère (The Netherlands), Leiden (APL 21).
Robertson Ann-Marie de (2000) The Eemian interglacial in Sweden, and comparison with Finland
Staalduinen, C.J. van, ed., (1977.)Geologisch onderzoek van het Nederlandse
Waddengebied. Rijks Geologische Dienst, Haarlem 15
Straka, H. ( 1957) Pollenanalyse und Vegetationsgeschichte 1957
Surlyk, F. Damholt,T. Bjerager, M / Dansk Geologisk Forening ( 2006) Stevns Klint, Denmark: Uppermost Maastrichtian Chalk, Cretaceous-Tertiary Boundary, and Lower Danian Bryozoan Mound Complex ; Geological Society of Denmark
TNO / Geological Survey of The Netherlands; (z.j.) artikel internet: Nederland in de toekomst Drie scenario's voor de toekomst van Nederland; geologievannederland.nl weblink: http://www.geologievannederland.nl/landschap/nederland-in-de-toekomst
Turneya, Chris S.M. & Brown, Heidi (2007) Quaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe.
Warrimont, J.P.L.M.N (2007) Prospecting Middle Palaeolithic open-air sites in the Dutch-Belgian border area near Maastricht,.
Winguth, C., Mickelson, D. M., Larsen, E., Darter, J. R., Moeller, C. A. & Stalsberg, K. (2005 ) Thickness evolution of the Scandinavian Ice Sheet during the Late Weichselian in Nordfjord, western Norway: evidence from ice-flow modeling. Boreas, Vol. 34, pp. 176–185. Oslo.
Zagwijn W.H. et al Atlas van Nederland deel 13,. ‘s Gravenhage 1985)
Zagwijn W.H. (1988 e.v) Pollendiagramms, . unpublished
Zagwijn, W.H. (1986)The Pleistocene of the Netherlands with special reference to glaciation and terrace formation. Quaternary Science Reviews, 5: 341-345.Zagwijn 1992,1993
Zolitschka Bernd et al. (2000) Annually dated late Weichselian continental paleoclimate record from the Eifel, Germany 1997( publ. 2000)
Zonneveld, J.I.S. (1957), River Terraces and Quaternary


deel 4 “Werktuigen van steen”

Inleiding
Zowel dit cursusdeel als het volgende deel getiteld “Deel 5: Steentijd in het Gaasterland”, vormen in feite de voltooiing van de cursus. De eerste drie delen waren vooral bedoeld als basiskennis voor deze delen. Termen als “Mesolithicum”, “Trechterbekercultuur” of Neanderthalers” zullen nu duidelijk genoeg zijn om hierover meer te lezen.
Dit deel handelt over werktuigen van steen, waarover al heel veel is gepubliceerd. In deze leestekst vinden we dan ook een uitgebreide lijst van referenties en verwijzingen naar het internet, aangezien het geen zin heeft alles over vuursteen technieken opnieuw te beschrijven. dit deel is dus vooral ook toegespitst op het Gaasterland. De keuze voor stenen werktuigen als overblijfselen vanuit de prehistorie, wordt in principe gedirigeerd
door het feit dat dit de meest voorkomende en vaak ook de meest duidelijke resten zijn die we in het veld terugvinden van een prehistorische cultuur, zeker als we aan het oppervlak naar resten uit de prehistorie zoeken.
Organisch materiaal, zoals hout, huiden, beenderen en gewei vergaan in de meeste omstandigheden en worden aan het oppervlak al helemaal niet frequent gevonden en zijn dan ook steeds erg lastig te interpreteren, omdat ze uit elke oorspronkelijke context zijn geraakt.
Zelfs voor wat betreft het materiaal “steen” is nog een volgende selectie die we bijna noodgedwongen maken: het merendeel van de werktuigen die we terugvinden zijn vervaardigd van vuursteen. In dit deel schenken we ook aandacht aan andere steensoorten,
want, hoewel we deze in het veld aanzienlijk minder vaak aantreffen, is hieruit toch vaak
aanvullende informatie te krijgen.
We bezien in dit deel ook de techniek van het bewerken van stenen, aangezien de kennis
van deze techniek direct helpt bij het herkennen van door de mens gemaakte stenen
werktuigen die we in het veld vinden.
Hoewel de herkenbare, toegepaste techniek op een steen een doorslaggevende rol speelt
bij het toekennen van het labeltje “artefact”, is dit zelfs voor lithisch specialisten
(specialisten in stenen werktuigen) niet altijd even duidelijk.
De natuur produceert op grote schaal zogenaamde ‘geofacten’; zulke stenen kunnen door
uiteenlopende oorzaak een uiterlijk krijgen die maakt dat ze bedrieglijk veel op echte
artefacten lijken. In dit cursusdeel wordt uitgelegd waarop we moeten letten om te zien of
het voorwerp dat we in het veld vinden een artefact is. Deze determinatiekenmerken zijn
bepalend voor het toekennen van het labeltje “artefact” ( = door mensen gemaakt). In de
praktijk echter, kan het best voorkomen, dat bepaalde kenmerken ontbreken, terwijl de
steen toch zeer veel op een artefact lijkt. Inderdaad, de kenmerken van het bewerken
kunnen bij toeval of expres van het artefact zijn verdwenen. In zulk een geval is het
raadzaam een dergelijk artefact/ geofact te bewaren, maar we kunnen het niet meetellen
als stenen werktuig.
De hierboven geschetste verwarring over “...is het nou wel of is het nou niet een
artefact ?...” toont ons direct, dat voor het herkennen van stenen werktuigen een lange
2
ervaring nodig is, die men in het veld eenvoudig en gaandeweg kan leren.
We beginnen dit deel bij de soorten stenen die we als bewerkt materiaal kunnen
tegenkomen in het veld; we richten ons vervolgens op het vuursteen en zijn bewerking,
we bezien de evolutie van de techniek en sluiten af met een overzicht van de typologie
van stenen werktuigen. Voor een overzicht van het herkennen van vuursteen artefacten en
te onderscheiden van pseudo- artefacten, zie de handout hierover, op de pagina van de auteur 
op  Academia edu is gepubliceerd
Werktuigen van steen ; soorten stenen
Een werktuig is op te vatten als verlengstuk van degene die het gebruikt. We gebruiken
een werktuig, waar ons lichaam tekort schiet: om pinda te pellen hebben we geen apart
werktuig nodig, om een hazelnoot te kraken wel . Onze handen missen een eigenschap,
die we in zo’n geval nodig hebben om de hazelnoot te openen.
Een werktuig is pas als een werktuig op te vatten, wanneer het aan bepaalde voorwaarden
voldoet: het is altijd gekoppeld aan een doel.
Een voorbeeld kan dit illustreren. Wanneer we een blikopener gebruiken doen we dat,
omdat we een blik niet ( gemakkelijk) anders open kunnen krijgen. Een hamer, tang en
een schroevendraaier kunnen wel leiden tot het openen van het blik, maar het kost meer
inspanning, geeft meer rommel en hopelijk snijdt niemand zich aan de scherpe rand die
ontstaat.
Een werktuig dient dus efficiënt te zijn, berekend op een bepaalde taak.
Andersom kunnen vele taken ook met eenzelfde werktuig worden uitgevoerd. Bekijken
we een schroevendraaier, dan is die naast het open en dicht draaien van schroeven, best
ook geschikt als priem, om sleuven te trekken in zachte houtsoorten, om gaatjes voor te
stansen, om iets mee los te wrikken, en zelfs kan een schroevendraaier gebruikt worden
als moordwapen. (1)
Precies zo is het, dat we niet weten wanneer precies de eerste werktuigen zijn gebruikt.
Het volgende voorbeeld mag dit verduidelijken. We gaan ca 1 miljoen jaar terug in de tijd
en treffen een H. Erectus aan, de oever van een meertje, waar hij zojuist een groot stuk
vlees heeft zien liggen. Zijn ogen speuren over de bodem op zoek naar een geschikte
steen om het karkas mee te ontleden. Een geschikte steen is snel gevonden, maar die ligt
half in de klei aan de oever van het meertje. Met een stok wrikt hij de steen los en begint
in het karkas te snijden. De stok was in dit geval een werktuig dat is gebruikt voor het
loswrikken van de steen. Wanneer H. Erectus vervolgens de steen gericht breekt om er
een scherpe rand aan te maken, en die scherpe rand weer gebruikt om een punt aan een
stok te maken, dan is zichtbaar hoe diffuus het begrip stenen werktuig is. Uit het
voorbeeld blijkt verder, hoe naast steen, ook andere grondstoffen als werktuig werden
benut, zoals hout, bot en gewei.(2)
Niet alle steensoorten zijn even geschikt om een werktuig van te maken. Welke steensoort
je gebruikt hangt af van het soort werktuig dat je wilt maken. Een steensoort die we in het
Gaasterland veel aantreffen is graniet, een stollingsgesteente van lava, meer dan 1 miljard
jaar oud en naar het Gaasterland getransporteerd met het landijs uit Scandinavië. Graniet
is niet geschikt om een werktuig met scherpe randen van te maken: als je het al kunt
splijten, dan brokkelt het min of meer af door de korrelige structuur. Als hamer
3
functioneert het veel beter, al zal het oppervlak snel gefragmenteerd raken. Het met het
landijs mee getransporteerde grijsblauwe kwarts krijgt bij het gericht breken (= het onder
een bepaalde hoek slaan tegen de steen, zie verder in de leestekst) al redelijk scherpe
randen. Zowel Neanderthalers als mensen in het Mesolithicum hebben kwarts veelvuldig
als grondstof voor werktuigen gebruikt.
Zandsteen is een zachter soort steen en werd in de prehistorie vooral gebruikt om andere
stenen of benen voorwerpen mee te polijsten en werd later het ook gebruikt voor het
aanscherpen van stenen gereedschappen.
Het veelvuldig voorkomende vuursteen is het meest als grondstof toegepast, vanwege:
1. De voorspelbare breuk bij het afslaan onder een bepaalde hoek
2. Het verkrijgen van haarfijne randen, welke zo scherp zijn dat je er feilloos papier
mee kunt snijden
3. Het mogelijk zijn van een nabewerking (= retouche), welke heel fijn kan worden
uitgevoerd door gebruik te maken van hout, been of gewei
In deze leestekst zijn, ter verduidelijking, een aantal afbeeldingen gebruikt, waarvan het
copyright bij de auteur ligt, zodat het vrijelijk op internet en daarbuiten gebruikt kan
worden.
Bewerkingstechnieken van vuursteen
Wie wel eens op een stuk vuursteen heeft geslagen zal al snel merken, dat het niet zo
moeilijk is om er een stukje af te slaan, dat scherp genoeg is om mee te snijden. Al snel
wordt merkbaar, dat het brok vuursteen waarvan je schilfers afslaat al snel onbruikbaar is:
het verwordt langzaam tot een brok vuursteen waarvan geen stukje meer goed is af te
slaan.
De prehistorische mensen kozen hun vuursteen zo uit, dat ze wisten dat het brok of brokje
vuursteen en de soort precies zou passen bij het doel waarvoor een werktuig werd
verzonnen: zo werd voor een bijl een hele andere (vuur-)steensoort gebruikt dan voor een
pijlspits, omdat deze twee werktuigen iets heel anders doen. Een bijl krijgt grote zware
klappen te verduren en heel fijn, doorzichtig vuursteen zou snel splijten wanneer er grote
klappen op kwamen; er werd voor bijlen dus een vuursteensoort met een grove korrel
uitgekozen.en voor spitsen juist fijnkorrelig vuursteen. De afmeting van het brok
vuursteen bepaald in hoge mate de afmeting van het werktuig, maar ook in zekere zin
de vorm.
Vuurstenen werktuigen die worden toegeschreven aan H. erectus zijn vuistbijlen, prachtig
bewerkt over het hele oppervlak en vaak perfect symmetrisch gemaakt. Zo’n vuistbijl
noemen we een kernwerktuig, aangezien deze is vervaardigd van een brok vuursteen en
niet van een deel wat ervan afgeslagen werd.
De techniek die hiervoor is gebruikt is als volgt.
Van een geschikt stuk vuursteen werd afwisselend de rand aan de ene en andere zijde
bewerkt (dit noemen we bifaciaal) door er schilfers af te slaan, net zolang tot een
bepaalde vorm werd verkregen, waar altijd een punt en twee snijdende randen zichtbaar
zijn.


De Neanderthalers: Levallois techniek
De Neanderthalers gebruikten de Levallois techniek, waarbij een stuk vuursteen werd
voorbewerkt, om er een speciale vorm ( meestal een speerpunt) vanaf te slaan. Tijdens de
bewerking werden stukken afval geproduceerd, die al scherpe, snijdende randen bezaten,
welke direct gebruikt konden worden.
Afbeelding 3: Een zware Levallois- spits / mini vuistbijl, gevonden in Noord-België,
afmeting ca 7 cm x 4 cm x 2 cm. Deze spits laat duidelijk zien hoe eerst de randen van
alle kanten schuin zijn weggeslagen om vervolgens de geschikte vorm van de kern af te
slaan. Een werktuig , gemaakt in de Levallois techniek is altijd ‘schildpadachtig’ van
structuur, en zie hoe de ribben ( = opstaande randen tussen de afslagen) op het oppervlak
meestal gekromd lopen.
6
Afbeelding 4: de Levallois techniek in een eenvoudig schema weergegeven. 1. Een stuk
vuursteen voorgesteld met een roodbruine lijn, waarop in stippellijn een zwarte vorm van
een speerpunt is aangebracht. De vorm die van het stuk vuursteen zou worden gemaakt
stond dus van te voren al vast.2. De randen worden rondom bewerkt, door er kleine
schilfers af te slaan. 3. Het hele oppervlak wordt ook bewerkt, zodat er een structuur
ontstaat die doet denken aan een schildpad- rug.4. Het resultaat. 5. In stippellijn de vorm
van de speerpunt die ervan afgeslagen wordt. Met een klap wordt het bovenste deel
verwijderd, dit deel zal de speerpunt vormen. 6. het resultaat.7. de speerpunt wordt
scherper gemaakt, door er kleine schilfers van de rand af te slaan. dit noemen we
retoucheren, ofwel ‘nog eens bewerken’.
Er konden op deze manier speerpunten worden gemaakt, maar ook geschikte afslagen.
Meestal werd de restkern gebruikt om mee te schrapen.
VERSCHILLENDE SOORTEN WERKTUIGEN
Bijlen
Bijlen werden in het Neolithicum gebruikt, al kennen we ook kleine exemplaren uit het
Mesolithicum. Zij werden o.a gemaakt van grofkorrelig vuursteen, of van andere
steensoorten zoals phtaniet of lydiet.
Bijlen werden meestal gepolijst, niet alleen voor het uiterlijk, maar dit verlengde de
7
levensduur aanzienlijk. Experimenteel omhakken van bomen heeft aangetoond, dat
stenen bijlen heel geschikt waren om een boom mee te vellen, maar dat is ook wel
duidelijk als we zien welke zware eikenhouten palen zijn gebruikt bij het maken van de
vroeg Neolithisch boeren in ons land.
Afbeelding 5: Midden tot Laat- Neolithische gepolijste bijlen uit St. Geertruid
Zuid-Limburg ( links) en Friesland (rechts) tonen grote overeenkomsten met die uit
Zweden ( onder), hetgeen duidt op een standaardisatie van gebruiksbijlen.
Spitsen
Speerpunten kennen we vooral uit het Paleolithicum, maar komen ook in het Neolithicum
nog wel voor. Vanaf het Laat-Paleolithicum vinden we spitsen, die op een pijl werden
gezet, en dan met een boog werden weggeschoten: de bekende uitrusting van pijl en boog
voor de jacht. Het grote voordeel van een pijl en boog boven een speer is, dat er van veel
grotere afstand gejaagd kon worden, tot wel 4 keer zo ver! ( ca 8 meter voor een speer, en
ca 30 meter met een pijl en boog). De eerste spitsen waren dun en langwerpig en werden
gemaakt in het Laat- Paleolithicum voor de jacht op kleine zoogdieren. We herkennen
dan spitsen van verschillende culturen, bijvoorbeeld zgn. gesteelde spitsen of
bladspitsen.

Afbeelding 6: Spitsen uit Noord- Frankrijk (Lorraine) uit het Laat- Neolithicum. Deze
vertonen grote overeenkomsten met spitsen welke gevonden worden in Gaasterland, zij
zijn namelijk van een zelfde cultuur, de Klokbeker cultuur. Afb. J.-Y. Ringenbach.

Klingen: de basis voor mesjes, stekers, schrapers
Om regelmatige vormen van een stuk vuursteen af te slaan, was het mogelijk om van een
knol willekeurige, min of meer onregelmatige stukjes af te slaan ( afslagen) of juist
regelmatige vormen af te slaan (klingen).
Onregelmatige vormen (afslagen) werden vooral afgeslagen van vuursteen van slechte of
mindere kwaliteit, van te kleine brokken vuursteen, of zien we als een verschijningsvorm
van een bepaalde cultuur (Laat-Neolithisch, Vroege Bronstijd). Hierbij zien we dat op een
ruw stuk vuursteen eerst een plat vlak (een platform) werd gemaakt, waarvan dan
vuursteen schilfers werden geslagen. Om rechte, regelmatige klingen te maken moest
eerst een groot plat vlak worden gemaakt op een stuk vuursteen. Dit platte vlak werd op
de randen nog voorbewerkt- opgeruwd- om een beter contact tussen hamersteen en de af
te slagen rand te waarborgen , zodat je niet zou uitschieten over de rand.
Klingen werden regelmatig afgeslagen, met een overlap op iedere kling.
Hiervan zijn ook filmpjes op het internet, deze verduidelijken meer dan duizend woorden
hier (zie referenties onderaan dit artikel).

Schrapers
Schrapers werden gebruikt om mee te schrapen, dus voor het zwaardere werk. Deze zijn
normaal dikker als klingen, of van dikke klingen gemaakt, afhankelijk van de taak
waarvoor ze zijn vervaardigd. Vaak zijn schrapers rondom aangescherpt (geretoucheerd),
maar we kennen ook boordschrapers, waarbij slechts één zijde is aangescherpt, en
convergent schrapers met twee tegenoverliggende zijden die aangescherpt zijn. De hoek
waaronder de randen zijn aangescherpt is kleiner dan bij mesjes, zodat een dikkere
snijrand werd verkregen. Met schrapers werden huiden afgeschraapt, maar ook stukken
hout uitgehold, gewei glad gemaakt of hout verder in vorm bewerkt. we kennen ook holle
schrapers, voor het ontbasten van pijlen of houten staken.
Afbeelding 13 :Schraper, gevonden in het Gaasterland. Regelmatige afslagen zorgen voor
een scherpe rand. Let op hoe deze afslagen onder een korte hoek zijn afgeslagen, om een
vrij steile werkkant te verkrijgen.
Afbeelding 14: schraper gevonden in het Gaasterland,waarbij meerdere afslagen van
13
linksonder zichtbaar zijn. De afslagen zijn waarschijnlijk gebruikt om kleine werktuigen
(microlieten) mee te maken.
Wat overbleef is een kern, waarvan één rand ( bovenzijde) is bijgewerkt om ermee te
kunnen raspen of schrapen.
Afbeelding 15: Wanneer van vuursteen stukjes afgeslagen zijn, (de afslagen dus) , dan
blijft een kern over. Deze kernen zijn in de regel niet mooi, onregelmatig en moeilijk te
herkennen. We herkennen ze, aan typische slaggolfjes, aan de opstaande randen ( het
afslagnegatief, waar zichtbaar is dat een stukje vuursteen eraf geslagen is) en kleine
beschadigingen op het platte vlak, het platform. Merk op hoe klein de brokjes zijn, die
achtergelaten zijn op een locatie nabij Oudemirdum.
Afbeelding 16. Wat gevonden is aan het oppervlak van een grote akker op een bepaalde
locatie in de Belgische Kempen toont ons, met hoe weinig we het soms moeten doen. De
scherven linksboven zijn Romeins, die linksboven uit de Late Bronstijd. Het meest
duidelijke artefact is verder de spits, die aangeeft dat we in elk geval met de Bronstijd te
maken hebben.Zo’n artefact noemen we gids- artefact.

Tenslotte
We moeten niet vergeten, dat de werktuigjes ergens voor hebben gediend. Vaak werden
kleinere werktuigen in een stuk hout of gewei geplaatst om als werktuig dienst te doen.
De werktuigjes die wij vinden kunnen iets zeggen over:
- de periode(n) waarin prehistorische mensen aanwezig zijn geweest in het
Gaasterland ( techniek, typologie)
- de werkzaamheden die ze hebben uitgevoerd op een plaats ( spitsen voor jacht,
schrapers voor huiden bewerken, bijlen om bomen om te hakken, polijststenen om
steen en been mee te polijsten, enz.) ---- soort kampement of permanente
bewoning?
- de grondstoffen die ze hebben gekozen om hun werktuigen te maken : waren die
lokaal of van buitenaf meegenomen?
- de locatie keuze: waarom vinden we de artefacten precies op die plaats?
- mogelijke relaties met andere gebieden: waar kwamen de prehistorische mensen
vandaan?
Vuurstenen werktuigen herkennen doe je vooral in het veld. Oprapen, de randen bekijken,
de kenmerken bekijken: is er een slagbultje, is er een litteken? Vooral in het begin
betekent dit doorzetten: op een oppervlak van 300 bij 200 meter vond ik eens ‘slechts’30
artefacten. Pas wanneer je er één vindt, weet je dat je kunt doorzoeken, meestal liggen er
meer. Als zoeker is dat leuk: vuursteen artefacten vinden. Echter betekent dit wel, dat hoe
meer artefacten aan het oppervlak liggen, hoe erger de onderliggende grondsporen
(waarin soms haardkuilen aanwezig zijn, lichte sporen van ronde behuizingen, enz) zijn
aangetast door de ploeg. Voor de archeologie zijn die locaties interessant, waar slechts
een enkel artefact aan het oppervlak is gekomen.
Het bovenstaande illustreert, dat ook andere prehistorische zaken aan het oppervlak
kunnen komen, zoals potscherven, verbrand vuursteen (te herkennen aan een craquelé en
een witte kleur), stukjes houtskool, en zelfs fossiel geworden botresten.
Na het zoeken is de registratie en eventuele documentatie belangrijk. In het vijfde
cursusdeel wordt hierop verder ingegaan.
Noten
(1) tragische gevallen van een moord met een schroevendraaier zijn veel bekend; zie
bijvoorbeeld in een artikel van het Gazet van Antwerpen (Deurne, 2007).
(2) Kunstvoorwerpen en werktuigen gemaakt van bot, gewei en hout zijn vooral uit
opgravingen bekend. zo is de oudste houten speer die ooit is gevonden, 400.000 jaar oud,
gevonden in het Duitse Schöningen; deze speer werd gebruikt door Homo heidelbergensis.
(Thieme, 1999).
Referenties/ internet
Beuker Jaap (2010) Vuurstenen Werktuigen: Technologie Op Het Scherp Van de Snede
15
Sidestone Press
Stapert, M.J.L.Th. Niekus & L. Johansen : Niekus, M.; (2006) Curieuze
vuistbijlachtigen van Rhenen (Utr.). Ook eens iets voor kinderen? PDF via Academia Edu.
Paleo-Aktueel 17: 18-26.
Thieme, H. ( 1999) Altpaläolithische Holzgeräte aus Schöningen, Lkr. Helmstedt.
Bedeutsame Funde zur Kulturentwicklung des frühen Menschen. In: Germania. Band 77, ,
S. 451–487.
Internet:- een zeer kleine selectie-
Youtube
Youtube Flintknapping beginners part 1 video in het Engels
Youtube: Levallois Core Reduction: Recurrent Preferential by Dr Chris Clarkson
Youtube: Preferential Levallois Flake Removals Basisidee van Levallois- techniek in
filmpje
Youtube: Mesolithic flint knapping Technieken voor het maken van klingen
Youtube: Flintknapping a small arrow point with antler Part 1
Websites
Het stenen tijdperk : vuursteen bewerken
Geologie van Nederland: Noordelijke zwerfstenen
Website : Den Blauwen Swaen” vuursteen bewerken,vuurstenen werktuigen
Steinzeitwissen; Steinzeit & Co Duitstalige , zeer complete website met heel veel
informatie
Ginderwijd Blog : veel afbeeldingen van vuursteen artefacten uit Brabant
( overeenkomstig zandgebied)
IJstijden museum Buitenpost : collectie regionale artefacten uit de steentijd
Archeologie Posterholt, artefacten uit Midden Limburg
Museon: de oude steentijd
Archeologisch Centrum West-Drenthe
Archeologie Archeology Streekmuseum Burgum Fr.
Archeoforum Nieuws over de steentijd in Nederland
APANarcheo Een alternatieve kijk op de steentijd, meest gebaseerd op Noord -Nederland



        deel 5 “Steentijd in het Gaasterland”

Inleiding

Met de presentatie en de leestekst van dit vijfde deel komen we uiteindelijk bij het doel van de cursus: het onderzoeken van de prehistorie van het Gaasterland.
De prehistorie van Gaasterland omvat een veel groter deel dan de steentijd: het omvat de totale periode van het vroegste Paleolithicum, tot de Vroege Middeleeuwen.
De steentijd van het Gaasterland is vooral, en vaak ook eenzijdig bekend van de in de 19e eeuw bij het plaatsje Rijs gevonden steenkist. Doordat vondsten uit andere perioden, of wezenlijke vondsten uit de prehistorie uit andere delen van het Gaasterland ontbreken, is de rest van de steentijd in het Gaasterland onderbelicht gebleven.
Dat Gaasterland een tamelijk witte vlek is gebleven op de archeologische steentijd kaart, ligt niet aan het ontbreken van mogelijke resten uit de steentijd in het gebied. (1)Veel meer is het zo, dat gericht onderzoek door middel van veldverkenningen en mogelijk zelfs opgravingen enorm veel kennis en ervaring vereist van het specifieke karakter van het gebied: oude beekdalen en voormalige glaciale bekkens zijn opgevuld geraakt met dekzand, geschikte locaties zijn bedekt met grasland, en een deel van het oude, prehistorische bewoningsgebied is eenvoudig in het IJsselmeer verdwenen. Het niet aantreffen van aanwezigheid of bewoning in de steentijd komt enerzijds, doordat mogelijke vindplaatsen door dikke dekzand- pakketten afgedekt kunnen zijn en daardoor onbereikbaar zijn geworden, anderzijds door het veelvuldige voorkomen van vuursteen aan het oppervlak, welke een natuurlijke oorsprong heeft en in het geheel niet door mensen is bewerkt, waardoor het herkennen van artefacten niet altijd even eenvoudig is, zeker niet voor ongeoefende amateurs. Immers, pseudo- artefacten komen op de keileem- plateaus zeer veel voor, waardoor veldprospecties intensief kunnen zijn. Daarbij spelen ook andere factoren in het veld een rol zoals de bodemsamenstelling (dekzand, keileem, bouwvoor) en de weersomstandigheden (zonnig, bewolkt, na regen, enz.). Bovendien lijkt het er sterk op, dat Gaasterland wel intensief met detectoren is afgezocht, maar dat er nauwelijks echt is gezocht naar mogelijke steentijd bewoning (2); een uitzondering hierop zijn veldprospecties door het Argeologysk Wurkverbân van de Fryske Akademy (Salverda, 2008).
In dit deel bezien we globaal de steentijd van het Gaasterland, en gaan we in op het fragmentarische beeld dat is ontstaan uit een aantal recente vondsten, welke gedaan zijn op de hogere delen rond Oudemirdum. Aan het einde van dit deel volgen nog enkele opmerkingen over registratie en documentatie en enkele aanwijzingen voor mogelijke locaties, waar men prehistorische artefacten zou mogen verwachten. 

Paleolithicum ( Oude Steentijd) 250.000 - 10.000 v.C.

De oudste aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid in de regio Gaasterland en omstreken, is afkomstig van een (gebroken) vuistbijl, gevonden door Idzard Vonk in 2000 in de buurt Hemelum , in het westelijke deel van Gaasterland (Stapert & Johansen 2001). Een andere vuistbijl werd meer naar het noorden gevonden door Hans van Gosliga,, in de buurt van het dorp Elahuizen, (3).
Deze vondsten werden gedaan op de ruggen rond de oude glaciale vallei [glaciaal bekken ] (Lanting, Maring-Van der Pers, Stapert & Van Leusen, 2008), maar het is niet bekend of ze ook op deze plaatsen zijn achtergelaten. (4)
Een derde indicatie voor ( laat-) paleolithische bewoning komt uit de buurt van het dorp Oudemirdum/ Nijemirdum , waar door Otto Adema van het Argeologysk Wurkferban Fryslân in het jaar 2000 een vuursteen afslag gevonden werd. Deze afslag heeft een mogelijke ouderdom van ca. 100.000 jaar (Boersma, 2008).
Archeologische vondsten, gedaan zuidwest van Kolderwolde en nabij Elahuizen bewijzen de menselijke aanwezigheid gedurende het Laat- Paleolithicum (ca 10.000 tot 9.000 v.C. ) (Boersma, 2008).
Tijdens de aanleg van de weg Balk- Koudum werden namelijk twee vuurstenen ateliers ( plaatsen waar vuursteen werd bewerkt) van de zgn. Hamburg- cultuur aangetroffen, niet ver van de plaats Kolderwolde. Andere vondsten, die in het gebied zijn gedaan, worden toegeschreven aan de Tjonger Cultuur (ca 9.600 -9.200 v. C.).

Mesolithicum : ca 8.800- 5.400 v.C.

Jager- verzamelaars in het Mesolithicum (ca 8.800 - ca 5.000 v. C.) bezochten het gebied nabij Warns in het westelijke deel van Gaasterland. Tijdens de opgraving zijn naast haardkuilen, welke aan de hand van houtskool zijn gedateerd op de periode tussen ca 6.435 - 6.365 v.C (Niekus, 2006) ook kleine vuursteen artefacten gevonden (zogenaamde micro- driehoeken) welke als samengesteld werktuig gebruikt werden voor de jacht. Zulke kleine werktuigjes, ofwel microlieten zijn in het Gaasterland meer te verwachten; een recente vondst gedaan nabij Oudemirdum ,betreft een zogenaamde transversaal spits welke is te dateren in het Laat- Mesolithicum; dit is een voorbeeld van de aanwezigheid van jager verzamelaars in de periode van ca. 6000- 5000 v. C. (Niekus, 2008).


Afb. 1. Niet altijd spectaculair, maar duidelijke bewijzen van prehistorische aanwezigheid. Kleine afslagjes als deze, al dan niet met retouche, bewijzen niet alleen de aanwezigheid van de prehistorische mens in Gaasterland; zij vertellen ook iets over de keuze van het soort vuursteen, de bewerkingstechniek, het doel van de aanwezigheid in Gaasterland ( jacht, langduriger verblijf, maken van kleding) en in het geval van gids- artefacten, ook iets over de periode waarin Gaasterland door de prehistorische mens werd bezocht.

Neolithicum: 5.400- 2.000 v.C.

Vondsten van de Swifterbant Cultuur (ca 5400 - 3400 v. C.) is te beschouwen als de voorganger / voorloper van de Trechterbeker Cultuur (4300 - 2700v. C.) . Groepen , behorende tot de Swifterbant cultuur leefden nog van jacht en visvangst, waarbij het aandeel van akkerbouw./ veeteelt vanaf ca 4500 v. C. langzaam toenam , door beinvloeding van de cultuur door de Lineaire Band Kermaiek Cultuur (Linear Bandkeramik Kultur, LBK) uit het zuiden. De scheidslijn tussen de Swifterbant Cultuur en de Trechterbeker Cultuur is moeilijk te trekken. Beiden leefden in onze streken, de Swifterbant Cutuur leefde op de oevers van de toenmalige Overijsselse Vecht, welke dwars door de huidige Noord- Oost polder stroomde; de oude oeverwallen welke zij bewoonden waren bij de drooglegging nog zichtbaar en er vonden uitgebreide opgravingen plaats. ( De Roever , 2004). Thans zijn deze oeverwallen bebost en zo goed zichtbaar in het landschap noord-west van Swifterbant, waarbij een route te volgen is door dit verdronken archeologisch landschap. Dit gebied lag juist ten zuiden van Gaasterland en werd slechts door moerassen en uitgestrekte veengebieden van het huidige Gaasterland gescheiden. Daarbij moeten we dan wel bedenken, dat delen van voor bewoning geschikte gebieden in het IJsselmeer zijn verdwenen.

Afb.2: artefacten welke gevonden zijn tezamen met de spits linksboven. Door de spits, die als gids- artfeact kan worden aangemerkt, is de periode bij benadering bekend: laat Mesolithicum tot vroeg Neolithicum. Deze artefacten zouden dus kunnen zijn gemaakt en gebruikt door mensen van de Swifterbant Cultuur.

De ontdekking van een hunebed door een arbeider genaamd H.W. Kouwenhoven, in het Rijsterbos bij het dorp Rijs (Riis) in maart 1849, is het enige bewijs voor het bestaan van de aanwezigheid van de Trechterbekercultuur (TRB, TrichterRandBecher in het Duits) in de regio.
Het hunebed bleek echter niet een echt hunebed in de strikte betekenis te zijn (zoals we deze o.a. kennen uit Drenthe), maar een zogenaamde steenkist, gebruikt voor een begrafenis (voorheen is deze steenkist genaamd F1-Rijs),. Deze in 1922 door Professor A.E. van Giffen in 1922 onderzochte steenkist heeft afmetingen van ongeveer 3,8 m x 4,3 m., met een gemiddelde breedte van de binnenkamer van ca. 80 cm .( Bakker, 2010a, Bakker, 2010b).
Een dergelijke steenkist is nog zeldzamer dan een hunebed, aangezien er in Nederland slechts enkele bekend zijn, waaronder de steenkist van Diever (overigens ook geografisch op dezelfde noorderbreedte als Rijs; voor een afbeelding zie hier op de website van Archeologisch Centrum West-Drenthe).
Een steenkist is in vergelijking met een hunebed, veel kleiner, de gebruikte stenen zijn eenzijdig afgeplat en een steenkist is in de grond geplaatst, in plaats van op het het oppervlak. (Hoewel door Kossian werd beargumenteerd dat de steenkist niet begraven is onder "het oude "(...Neolithische ..-red.-) oppervlak, maar ingesloten ligt in een lage ophoging (im Flächen Primärhügel) [ hetwelk dus een Neolithische ophoging zou zijn in deze redenering] (Kossian, 2005).
De originele stenen van de steenkist in het Rijsterbos zijn allang verdwenen (ze werden kapotgeslagen en zijn gebruikt voor bestrating, enzovoorts.), maar Prof. van Giffen gebruikte de originele positie van de kuilen die zichtbaar waren door verkleuringen in het zand) om de afmetingen van de steenkist te reconstrueren.
Bij de steenkist zijn enkele scherven gevonden. en later nog een losse aardewerk scherf van diepsteek-keramiek ter plaatse van de overblijfselen van het hunebed te Rijs. Deze scherf bleek een bijzondere aanvulling te geven op een door prof. Van Giffen reeds in tekening gemaakte reconstructie van een pot,waarvan in 1922 een schouderscherf was gevonden. Het fragment is nl. een randscherf van hetzelfde vat, zodat nu een nauwkeurig beeld van de hals verkregen kan worden.
Vergelijkbare begrafenissen in een steenkist, vinden we ook in Noord-Duitsland (hier heten ze Steinkiste) zoals in Lindern (Oldenburg, Niedersachsen). Steenkisten werden ook gevonden in Zweden , zoals de steenkist van Delsjön en de steenkist van het Groningse Herveskesklooster (Boersma, 1988).

Het is duidelijk dat de landbouwers van de TRB op verschillende locaties in Gaasterland, zullen hebben gewoond, waarschijnlijk op de hoogste plateau-verhogingen in het gebied, zoals in de buurt Bakhuizen of ten noordwesten van Nijemirdum.
De locatie ten oosten van de steenkist van Rijs, namelijk de Hege Gerzen bij Oudemirdum zou een mogelijke bewoningsplaats geweest kunnen zijn van boeren van de Trechterbeker cultuur; hier zijn naast enkele - overigens niet gedateerde- polijststenen (Archis.wng_vdt.287952 en een polijststeen van de auteur) aangetroffen en een fragment van een bijl welke op snede vierkant was en gemaakt van grijze vuursteen (laat-Neolithisch/ Vroege Bronstijd) (5).
Mochten zij echter ten zuiden van de locatie van de steenkist hebben verbleven, dan zullen we hiervan wellicht nooit meer iets terugvinden: hier bevindt zich namelijk het huidige IJsselmeer...

Bronstijd 2.000 - 800 v.C.

Op het strand van het Mirnser Klif is in 2004 een (gebroken) bronstijd -spits gevonden (typologisch gedateerd in de Vroege Bronstijd, ca 2.000 v. C.) en deze was tot voor kort het enige bewijs voor deze periode tot nu toe. (Boersma, 2008). De auteur van dit blog vond onlangs in het Jolderenbos bij Oudemirdum een tweede bronstijd-spits, welke grote gelijkenis heeft met (overeenkomstige gevleugelde spitsen zonder schatchtdoorns) zoals ook gevonden bij Ede, welke toegeschreven kunnen worden aan de Klokbekercultuur. De gevonden spits van Oudemirdum is uit dezelfde periode van ca 2.000 v.C., de vroege Bronstijd. Zie het artikel: Een bronstijdspits van Oudemirdum.
Een derde spits is gevonden door dhr. Miedema uit Rijs, zie hiertoe het artikel : "een derde spits uit Gaasterland" op dit blog. Een vierde spits is eveneens afkomstig van het Mirnser Klif.
Een vijfde spits is door de auteur gevonden bij Oudemirdum, welke een halffabricaat is, hetgeen aangeeft dat deze vermoedelijk op de locatie is vervaardigd (vuursteen van lokale herkomst). Een 60 tal afslagen, schrabbers en boortjes, teruggevonden op dezelfde locatie bij de Hege Gerzen doet vermoeden dat hier een klein jachtkamp is geweest, waar waarschijnlijk sprake is geweest van een seizoensgebonden jacht, bijvoorbeeld op waterwild (Groen, 2013).



Afb. 2: Bronstijd spits, gevonden door de auteur nabij Oudemirdum. Spitsen kunnen meestal worden gebruikt als gids- artefact, omdat ze in een bepaalde vorm gedurende een bepaalde periode werden gebruikt. Deze bronstijdspits is uit de vroege Bronstijd, , hetgeen opgemaakt kan worden uit de vorm ( holle basis, zonder schachtdoorn) en de tamelijk brede vorm (Butler & Fokkens, 2005). Zie ook het artikel “Een bronstijdspits van Oudemirdum”.

IJzertijd 800 v.C. - 50 v.C.
Vondsten van vier scherven met een mogelijke IJzertijd datering uit de omgeving van Oudemirdum zijn opgeslagen in het Provinciaal Depot voor archeologievondsten in Fryslân (Box 1102d / AR 14), en werden gedateerd als "Ruime periode van de IJzertijd:, ca. 800 - 12 v. C.."
De oorspronkelijke zoutwatermoeras - ruggen waren goed bewoonbare locaties voor IJzertijd -boeren vanaf ca. 600 v. C., net als op andere plaatsen in Friesland (bijvoorbeeld in Franekerdeel meer naar het noorden).
Een bronzen beeld van een Romeinse Apollo werd gevonden in 1962 in de buurt Harich, maar het is onwaarschijnlijk dat de Romeinen feitelijk Gaasterland hebben bezocht, dit object is in het Gaasterland gekomen met opgebrachte terpaarde.
Enkele scherven van typisch IJzertijd -aardewerk met vingertop - indrukken is gevonden bij Oudemirdum. Dit aardewerk lijkt sterk op aardewerk uit Noord- Friesland en Groningen (Taayke, 1990, 1996)


Middeleeuwen Vroeg en Laat 450- 1050 AD

Met de vroege Middeleeuwen komen we van de prehistorie, waarin weinig of geen geschreven bronnen zijn, in de protohistorie. Echter, ook hier moeten we het vooral hebben van vondsten en informatie uit opgravingen, omdat heel veel niet is opgeschreven. Net als in andere regio's in Nederland, werd Gaasterland eerst echt ontgonnen in de volle Middeleeuwen (omdat we niet weten waar de leden van de Neolithische Trechterbekercultuur woonden, is dit de eerste, duidelijk herkenbare periode).(6)
Dit leidde tot ontbossing van de regio, waardoor ook op grote schaal heide ontstond..
Verschillende dorpen, zoals Oudemirdum (Aldemardum) begonnen zich te ontwikkelen op de juiste locaties, in de periode 800 -1000 n.C.
Dus is het niet verwonderlijk dat een amulet (een zogenaamde alsengem (een halfedelsteen welke is ingesneden en in een zetting meestal van goud geplaatst om deze als amulet te dragen) met een kruis motief gevonden in de buurt Hemelum / Bakhuizen en bij Oudemirdum, gedateerd in de Viking periode (ca. 900 n. C.). Zulke gemmen zijn uit glas of (half -) edelsteen geslepen steentjes waarin een motief gekrast werd, dit steentje werd in een ringetje gevat. De gevonden exemplaren kunnen zijn opgebracht met terpenaarde, zodat ze zich wellicht in secundaire context hebben bevonden wanneer ze op de akkers zijn gevonden.
In Gaasterland werd door H. Batstra uit Lemmer met behulp van een detector ook een gouden ring gevonden, die oorspronkelijk uit de Viking- periode stamt, en deze ring is gedateerd tussen 800 en 1100 n. C.
Deze viking-ring bestaat uit één dikke en twee dunne in elkaar gedraaide gouden draden. De ring is een bijzonder exemplaar voor Nederland , want dergelijke vondsten uit Nederlandse bodem, maar zeker uit Friese bodem zijn zeer zeldzaam. Zie ook een andere Viking-ring, die meer noordelijk is gevonden, de vondst van een Viking- ring bij Tirns ( Sneek). De vraag bij deze en vele andere vondsten is steeds, of de voorwerpen met terpaarde zijn geïmporteerd, waardoor de werkelijke archeologische waarde gering is voor het Gaasterland, ondanks het feit dat zulke vondsten altijd volop in de belangstelling staan. Dit, terwijl andere vondsten, zoals vondsten van aardewerk-scherven uit de Vroeg Middeleeuwse en IJzertijd periode al vrij snel worden afgedaan als ‘terpaardewerk, dus niet belangrijk’. Een discussie hierover kan zinvol zijn, omdat eventuele aanwezigheid van IJzertijd / Vroeg Middeleeuwse bewoning in het Gaasterland tot nu toe onbekend is.
Het dorp Oudemirdum wordt genoemd als een bijzondere locatie voor het maken van aardewerk op locaties als de 'Liemerige Wei' en de 'Hoitebuorren' (Huitebuursterweg), ten zuidoosten van Oudemirdum. De lokale aardewerk productie betrof met name de productie van kookpotten (zogenaamde kogelpotten) en wordt gedateerd in de 12-13e eeuw n. C. (Verhoeven, 1998).
Het aardewerk is moeilijk te vergelijken met aardewerk uit andere plaatsen, maar heeft overeenkomsten met het aardewerk dat is gevonden bij IJlst, vlakbij Sneek. Dit aardewerk is vrijwel zeker lokaal en regionaal (straal van ca 20 km) gebruikt en is bijvoorbeeld tot in de omgeving nabij Stavoren teruggevonden (Verhoeven, 1998).



Afb. Overzicht van de belangrijkste archeologische perioden en belangrijke archeologische vondsten uit het Gaasterland.

Archeologie thesaurus

Vanuit Gaasterland zijn zo'n 75 locaties bekend met geregistreerde vondst-meldingen (geregistreerd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in het Archis systeem)..Het gaat daarbij om (toevallige) particuliere vondsten of vondsten vanuit boor- en kartering-onderzoek. De nadruk van de zowel vondst- locaties en gerelateerde vondsten ligt op keramiek en (lokale) keramiek productie. De steentijd van Gaasterland blijft erg onderbelicht, voor een gebied dat sinds de laatste ijstijd als een "eiland" boven de omgeving uitsteekt.
Veel vondsten van het oppervlak zijn niet nader in een periode terug te brengen en zij vertegenwoordigen vaak een brede periode (bv. -12000 - /2001).


Afb. Overal waar het landschap is geërodeerd of geopend is het mogelijk om artefacten te vinden. De artefacten van de Hege Gerzen zijn gevonden n.a.v. de aanleg van een tunwal in de 17e eeuw, op vergelijkbare wijze als op de afbeelding hierboven; bij het afgraven van stroken aarde zijn artefacten aan het oppervlak gekomen.

Waar zoeken?

Paleolithicum niet goed definieerbaar ivm wijzigingen landschap, mogelijk de noordelijke randen van glaciale bekkens en stuwwalranden met veel erosie
Laat -Paleolithicum Oostrand glaciale bekkens ( Kolderwolde, Elahuizen, Rijs )
Mesolithicum: ‘relatieve’ hoogten nabij depressies en mogelijke brongebieden ( Warns, Bakhuizen, Hemelum, Oudemirdum, Nijemirdum, Sondel)
Neolithicum: ‘relatieve’ hoogten nabij brede dalvlakten omgeving Bakhuizen- Rijs - Harich
Laat- Neolithicum/ Vroege Bronstijd: zandige hoogten ( stuwwallen)
IJzertijd: voormalige randen van dalvlakten en beekdalen, zoals tussen Oudemirdum en Nijemirdum,brongebioeden van de Luts, e.d.
IJzertijd -laat & Romeinse periode: opgebrachte aarde van elders (?!!)
IJzertijd – laat & Vroege Middeleeuwen: huidige dorpskernen, verlaten huisplaatsen

Na de prospecties

Tijdens veldprospecties worden mogelijke bewerkte vuursteen werktuigen gewassen en met een loupe zorgvuldig op determinatiekenmerken bekeken. Een scheiding wordt als volgt gemaakt:
zekere artefacten met duidelijke determinatiekenmerken
mogelijke artefacten, (vooral: mogelijke kernen, mogelijk afval van bewerking, maar ook mogelijk gebroken klingen, waarbij het proximale gedeelte met slagbult is verloren gegaan).
indeterminatae: niet determineerbaar, dis is niet hetzelfde als “geen artefact”, maar hiervan is niet vast te stellen of het een artefact is of een geofact.
geen artefacten


Registratie / documentatie en opslag

Op ieder artefact wordt met een watervaste fine-liner de veldcode (unieke 3 of 4 cijferige code van het geprospecteerde gebied) geschreven, gevolgd door een uniek volgnummer. Belangrijke artefacten worden gefotografeerd (met een meetlatje als schaal) en vervolgens per veldcode verpakt. Op de buitenzijde van de opslagdoos wordt de veldcode vermeld en bijvoorbeeld de toevoeging “vuursteen artefacten”.
Documentatie kan nuttig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een dagboek of kort artikel over de veldprospectie, zoals dat ook lokaal wordt gedaan bij AWN afdelingen in Nederland.

NOTEN

Vergelijkbare gebieden zoals Texel en de zandgronden van Drenthe, zie ook archeologie thesaurus per gemeente van het RCE.
De auteur vond bij gericht zoeken in minder dan een half jaar enkele honderden steentijd artefacten, waarbij één concentratie duidelijk op een meer langdurig verblijf in het Laat-Neolithicum zou kunnen duiden. (artikel in voorbereiding: een jachtkamp bij Oudemirdum)
(3) De vuistbijl van Elahuizen is gevonden in secundaire context , namelijk bouwzand. Dit maakt de herkomst van deze vuistbijl onzeker. Toch is het evengoed mogelijk, dat Neanderthalers de flanken van het smeltwaterbekken (wat de Fluessen eigenlijk is) hebben bezocht om langsheen te trekken. Voor een afbeelding van de vuistbijl , zie toonbeeldbank vuistbijl van Elahuizen
(4) De vuistbijl van Elahuizen is gevonden op een hoogte van ca 1,5- 2,0 m. + NAP, en vertoont sporen van kryoturbatie, zodat de oorspronkelijke vondstlaag niet meer is te bepalen; de vuistbijl van Elahuizen is bovendien aangetroffen in secondaire context. De suggestie is, dat het afkomstig zou zijn uit het glaciale bekken, vanwege de intense zwarte patina, welke ontstaat wanneer een artefact lang in zuurstofarme condities, onder water heeft gelegen. (Johansen, Niekus en Stapert, 2009)
(5)(wgm. 40167) Gevonden bij verbouwingswerkzaamheden door de aannemer. Er werd onder de schuur een dunne laag zand verwijderd. De bijl bevond zich tussen de stenen, die hieruit werden uitgezocht.Betreft een snedefragment van vuurstenen bijl met rechthoekige doorsnede.Grijze gevlekte vuursteen. Onvolkomen geslepen, vooral de zijkanten.l=11.0cm; b=7.3cm; d=4.2cm. De vindplaats ligt ca.2 km ten oosten van het hunebed van Rijs.
(6) We kunnen gebruiksporen uit de periode van het Midden-Neolithicum verwachten in de gebieden rond Mirns en Bakhuizen en rond Oudemirdum.Wellicht bevinden zich nog ploegsporen of sporen van huisplaatsen in de graslandgebieden, bijvoorbeeld oost van Bakhuizen. Over waarnemingen n.a.v. ingrepen in deze gebieden is mij niets bekend.

Referenties / internet

Bakker, J.A, (2010a) De TRB West Group: Studies in de Chronologie en Geografie van de Makers van hunebedden en Tiefstich Aardewerk, Sidestone Press, 4 mrt. 2010
Bakker J.A, (2010b) Megalithische Onderzoek in Nederland, 1547-1911; Sidestone Press, 31 december 2010
Boersma, B., (2008); Gaasterland: eeuwenoud land Tussen Mar en Klif; Uitgeefmij Kok ten Have, 20
Boersma, J.W. '(1988) Een voorlopig overzicht van het archeologisch onderzoek van de wierde Heveskesklooster (Gr.)', in: M. Bierma, A.T. Clason, E. Kramer en G.J. de Langen (red.), Terpen en wierden in het Fries-Groningse gebied (Groningen 1988) 61-87.
Butler , J. & Fokkens, H; (2005 ) in: Nederland in de Prehistorie (red.L.P.L. Kooijmans, Van den Broeke, P.W. ; Fokkens, H. en van Gijn , A; uitgave Bert Bakker Amsterdam ; pp 392, 17:9 afb 2
Groen, L. J. (2013) Een eenvoudige analyse van vuursteen artefacten van de Hege Gerzen bij Oudemirdum ( Gemeente Friese Meren, Friesland), Oudemirdum. Via Academia Edu. PDF
Kossian, R., (2005) Nichtmegalithische Grabanlagen der Trichter - becherkultur in Deutschland und den Niederlanden, Vols 1 en 2, Veröffentlichungen des Landesamtes für Denkmalpflege und Archäologie Sachsen-Anhalt (Halle 2005).
Heide, G.D. van der, (1965) Van landijs tot polderland.2000 eeuwen Zuiderzeegebied.. Bibliogr. Index. Volledige historie van Centraal Nederland. Strengholt, Amsterdam,
Johansen, L. Niekus, M. J. L. Th. en Stapert, D. (2009) Zwarte vuurstenen uit het Midden-Paleolithicum in Nederland; Paleo-Aktueel 20: 1-8. Via Academia Edu. PDF
Niekus, M. J. L. Th. ( 2008) Een studie naar de ontwikkeling van de trapeziumvormige pijlbewapening tussen 8100 en 4100 BP Paleo-Aktueel 19: 56-65.
Roever, J.P. de (2004) Swifterbant-aardewerk : een analyse van de neolithische nederzettingen bij Swifterbant, 5e millennium voor Christus, Groningen.
Salverda, R; (2008) Diggelgoud: 25 jaar Argeologysk Wurkferbân: archeologisch onderzoek in Fryslân; Fryske Akademy, (& AFUK) - Friesland; hoofdstukken 1-3
Stapert D. & Johansen L., (2001) Een halve vuistbijl van Hemelum in Gaasterland (Fr.) in: Paleo-aktueel 13 Archeologie in 2001/2002.
Taayke, E. ( 1996) Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600 v.Chr. bis 300 n.Chr., Teil III: Mittel-Groningen
Taayke, E. (1990) Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600 v.Chr. bis 300 n.Chr. 1. Westergo. (Friesland). Ber. ROB 40 (1990) 109-222
Verhoeven A.A A;, (1998) Middeleeuws Gebruiksaardewerk in Nederland: 8ste-13de Eeuw, Amsterdam University Press.

Internet

Andere werkgroepen archeologie ( een kijkje bij de anderen)

Een overeenkomstige werkgroep in België
Archeoblog Denderland, voorbeeld van een regionaal archeologisch weblog van de Archeologische Werkgroep van de Heemkunde Kring Denderland ( België) .

Een archeologische Werkgroep van het AWN ( voorbeeld)


Weblogs
Heemkunde en archeologie Gaasterland: Website Hystoarisk Wurkverbân Gaasterlân

Vondsten aanmelden:
Bij het RCE in Amersfoort , aanmelding voor ARCHIS ( aanmeldingsformulier)


=========================================================

Vondsten uit Gaasterland, Friesland, uit de prehistorie. 

Veel afbeeldingen zijn eveneens gepubliceerd in het eindverslag : "Final report on one year field prospections (2013) in Gaasterland": beschikbaar op Academia edu van de auteur :

Download 

Voor vondsten uit de latere perioden, na de prehistorie, zie andere pagina op dit blog


Toelichting bij de vondsten.
Deze vondsten zijn gedaan door 1 persoon gedurende slechts éen seizoen veldprospecties, in een zeer klein deel van Gaasterland en dienen ter illustratie van het zeer rijke steentijd verleden van deze streek en de grote potentie aan beschikbaar materiaal welk nog aan het oppervlak in deze regio te vinden is.
Daar waar het om oppervlaktevondsten gaat is de duiding van een artefact voor wat betreft een archeologische periode  dikwijls onmogelijk, vandaar dat hier vaak een brede aanduiding als "Mesolithicum- vroeg Bronstijd", ( -8800 - 2200 v. C.) is gegeven, waardoor een artefact uit een periode van meer dan 6000 jaar kan stammen. Enerzijds komt dit, doordat goede kenmerken qua techniek en / of typologie en verweringsverschijnselen  ontbreken. In samenhang met sommige andere factoren, zoals de vondst van typische gids artefacten, een duidelijke context van vondsten of vergelijking met vondst - materiaal uit andere complete referentie -assemblages (zoals uit het Mesolithicum, bijvoorbeeld kling technologie uit vondst complexen zonder microlieten)kunnen sommige artefacten soms toch nader voor een periode worden aangemerkt.

Materiaal: vuursteen (lokaal), transparant honingkleurig
Periode : Mesolithicum - Bronstijd ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:  Oudemirdum, Liemerige Wei
Opmerkingen:  een R/A steker  op afslag. De punt is zorgvuldig geretoucheerd.
========================================================= 

Materiaal: vuursteen (lokaal) doorschijnend donker honing kleurig vuursteen
Periode : Mesolithicum- Bronstijd  ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:  Oudemirdum, veld noord van Rinia State
Opmerkingen: Secondaire of tertiaire afslag met geretoucheerde zijden, gedeeltelijke steil retouche  en duidelijke gebruik - retouche. Het afslag negatief op de dorsale zijde vertoont  uitgesproken slaggolven, welke te danken zijn aan harde percussie.
=============================================== 

Materiaal: vuursteen (lokaal), een donkere, half doorschijnende  honingkleurige tot bruine vuursteen
Periode : Mesolithicum- Bronstijd  ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:  Oudemirdum, veld noord van Rinia State
Opmerkingen:  kleine afslag, met geprolongeerde slagbult en een steil retouche op de randen. Gebruiksspoor op de rand, welke gedeeltelijk naar binnen is afgesleten.
=============================================== 
Materiaal: vuursteen (lokaal) uit donkere, bruine niet geheel  doorschijnende vuursteen
Periode : Mesolithicum- Bronstijd  ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:  Oudemirdum, veld noord van Rinia State 
Opmerkingen:   een kleine kernsteen, waarvan enkele afslagen zijn genomen, negatieven nog zichtbaar. Waarschijnlijk een product van kernvernieuwing, waarbij dit stuk in de weg zat.   
=============================================== 
Materiaal: vuursteen (lokaal) uit helder doorschijnende honingkleurige vuursteen, waarin verontreiniging zichtbaar zijn.
Periode : Neolithicum ( -5500 - -2200 v. C.)
Vindplaats:  Oudemirdum, veld noord van Rinia State 
Opmerkingen:   een korte afslag (type lamelle) met één geretoucheerde zijde en een uitholling op de andere zijde. Het proximale deel is (expres?)afgebroken.
=============================================== 
Materiaal: vuursteen (lokaal) , een half doorschijnende vuursteen soort, lichtbruin van kleur
Periode : Mesolithicum- Bronstijd  ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:  Oudemirdum, veld noord van Rinia State 
Opmerkingen:    Afslag waar op een zijde een uitholling is gemaakt , verder is de rand geretoucheerd. Dergelijke uithollingen zijn normaal gangbaar voor het mesolithicum, waar ze echter zeldzaam zijn op afslagen, maar meer frequent op klingen zijn aangebracht; enerzijds werd dit gedaan voor de gebroken kling- kerf techniek,  anderzijds werden uithollingen gebruikt voor het schrapen van ronde oppervlakken van hout of been, zoals voor de pijl bewapening. Een andere mogelijke toepassing voor dergelijke uithollingen is het doorsnijden van bundeltjes  vezels/ paardenharen voor de vervaardiging van touw.    
=============================================== 


Materiaal: vuursteen (lokaal) vervaardig uit een heldere vrijwel transparante vuursteen soort, honingkleurig
Periode : Mesolithicum- Bronstijd  ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats: Oudemirdum, veld noord van Rinia State  
Opmerkingen:   een microburijn op afslag . Afvalproduct bij vuursteen bewerken.   
===============================================  
Materiaal: Leisteen
Periode : onbekend 
Vindplaats:  Oudemirdum, veld noord van Rinia State 
Opmerkingen:   het oppervlak bevat een aantal duidelijke  snijsporen, welke vanuit verschillende richtingen zijn aangebracht (herhaald gebruik) welke mogelijk kunnen duiden op een (vroeg?) prehistorisch gebruik. Dergelijke snijplankjes kunnen uit allerlei perioden stammen. 
    
===============================================
Materiaal: vuursteen( lokaal), een donkerbruine vuursteensoort, waar nog gedeeltelijk de cortex zichtbaar is.
Periode : Mesolithicum -  Bronstijd  ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:  Oudemirdum, veld noord van Rinia State 
Opmerkingen: Tweezijdig, vrij grof  geretoucheerd brok vuursteen, waarschijnlijk als zware schraper gebruikt. De retouche is doorlopend en onder schuine hoek aangebracht.  
===============================================

Materiaal: vuursteen ( lokaal ), diverse typen variërend van geelwit tot vrijwel zwart.
Periode : Mesolithicum -  Bronstijd  ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:  Oudemirdum, veld noord van Rinia State (ORS1) en zuid van Hege Bouwen (ORS2)
Opmerkingen:    15 stukken bewerkt vuursteen. Gebruik van dergelijke kleine werktuigen duidt meestal op (kortstondig) verblijf in een bepaald gebied, op een geschikte locatie , bijvoorbeeld voor de jacht.       
===============================================
Materiaal: Fossiele kies (gefossiliseerd)
Periode :onbekend
Vindplaats: Oudemirdum, veld noord van Rinia State 
Opmerkingen: Hoewel fossilisatie een proces is, wat onder bepaalde omstandigheden zeer traag plaatsvindt en dus zou duiden op een (relatief) hoge ouderdom,is het zeer moeilijk om een correcte uitspraak te doen over dergelijke vondsten. Een periode kan hier dan ook  niet nader worden aangeduid. Wel is deze kies aangetroffen in de nabijheid van de vuursteen concentratie op de locatie.  
===============================================

Materiaal:Bot (fossiel), gefossiliseerd
Periode :onbekend
Vindplaats: Oudemirdum, veld noord van Rinia State 
Opmerkingen:   Geheel fossiel bot is normaliter minimaal 10.000 jaar oud, maar dit fragment is beduidend later in het fossilisatie proces, het zal dus zeker in het Holoceen geplaatst moeten worden. Het bot geeft overigens geen brandgeur bij verbranding. Een periode is evenwel niet te duiden.
===============================================

Materiaal: Natuursteen, een afgeronde veldsteen, welke waarschijnlijk met het schuivend landijs is mee getransporteerd uit Scandinavië.
Periode : Mogelijk IJzertijd of later (vanaf ca 800 v. C. - recent)
Vindplaats:  Oudemirdum, noord van Rinia State, aan de noordzijde, juist achter Kleurrijk.
Opmerkingen:  Polijststenen zijn vaak moeilijk te dateren. De periode voor dit artefact is gebaseerd op het feit dat er zich krassen en ijzersporen bevinden op het polijstvlak en het dus vanaf de IJzertijd  in gebruik kan zijn geweest, om ijzeren voorwerpen aan te scherpen.
===============================================

Materiaal: Natuursteen,vrijwel zeker een zwerfsteen welke met het schuivend landijs vanuit Scandinavië is mee getransporteerd.  
Periode : vanaf Midden- Neolithicum - vroege bronstijd cf. (ca 3500 - 2200 v. C.) 
Vindplaats:  Oudemirdum, Liemerige Wei, veld 1
Opmerkingen:      Periode is  gebaseerd op uithollingen aan drie zijden, welke zouden kunnen wijzen op polijsten van stenen bijlen. De negatieve vormen op de polijststeen vertonen geen krassen of glans (van bijvoorbeeld metalen voorwerpen) en hebben de juiste vorm en afmeting om te passen in een positieve vorm van een stenen bijl.Zou ook gebruikt kunnen zijn voor het slijpen van bot/ been, maar glanssporen ontbreken, zodat contact met een droog polijst -materiaal (zoals een  zand kalk mengsel) meer waarschijnlijk lijkt.  
===============================================  



Materiaal: vuursteen (lokaal), een donkere half doorschijnende vuursteen met gedeeltelijk nog cortex aanwezig
Periode : mogelijk laat Neolithicum - vroege Bronstijd  ( - 3500 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:  Oudemirdum Liemerige Wei
Opmerkingen:    Primaire afslag: een vuursteen decorticatie afslag, het bewijs van vuursteen bewerking op de Liemerige Wei, Oudemirdum: waarom ook zou je een decorticatie afslag meenemen naar een volgend kamp?  Het vuursteen is van lokale herkomst en kwam vanwege prehistorische erosie van de aangrenzende depressie (noordelijk grenzend aan het veld) al  aan het oppervlak; mogelijk lag hier ook een bron, welke de depressie met water vulde. 
=============================================== 



Materiaal: vuursteen (lokaal), een honingkleurige, transparante vuursteen soort van goede kwaliteit.
Periode :laat Neolithicum (ca 2500 v.C - ca 2000 v. C.)
Vindplaats:  Oudemirdum Liemerige Wei
Opmerkingen:   halffabricaat spits Laat Neolithicum, gebaseerd op type en vorm. De spits is geheel geretoucheerd op het oppervlak aan beide zijden. Er is zelfs een retouche aangebracht op de zijden vanwege een misslag ( zichtbaar op de foto rechts) is het halffabricaat waarschijnlijk secondair als schraper in gebruik geweest.      
=============================================== 


Materiaal:vuursteen (lokaal) van donker grijs bruine vuursteen, niet transparant
Periode : Mesolithicum - Bronstijd  ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:   Oudemirdum Beukenlaan 2, veld naast camping Elfbergen
Opmerkingen: een schraper op een kernsteen
===============================================  

Materiaal: vuursteen
Periode : Laat- Mesolithicum- Neolithicum cf.( - 8800 - 4500 v. C.)
Vindplaats:  Makkum strand, zuid
Opmerkingen: Micro - afslag (lamelle) met slagbultje, slaggolven  en litteken. Vondst gedaan in het zand,welke wellicht vanuit de nabijgelegen kust afkomstig is voor ophoging van het strand. Het klingetje vertoont weinig verwering kenmerken welke duiden op transport in het water (afgeronde zijden, patina's) zodat verplaatsing over grote afstand uitgesloten lijkt. 
===============================================  

Materiaal: vuursteen, Links:  Deze spits is van vrijwel transparant honingkleurig, vuursteen vervaardigd, dit is lokaal vuursteen van een goede kwaliteit en bezit nog een fractie van de originele witte cortex.de spits is tweezijdig aan het oppervlak en de randen bewerkt en fijn geretoucheerd en bezit een holle basis, waarmee deze aan een pijlschacht werd bevestigd. De spits rechts is vervaardigd uit een witte vuursteensoort, eveneens lokaal (regionaal) en is eveneens tweezijdig aan het oppervlak geretoucheerd. De basis is voorzien van twee uithollingen, waardoor de spits zowel gesteeld als 'gevleugeld' is.Dit laatste zorgde voor een goede bevestiging aan een houten pijl. 
Periode :.Afbeelding links: Laat Neolithicum  (ca -2600 --2300 v. C.)  en afbeelding rechts:Vroege Bronstijd (- 2300 - 2000 v. C.)  
Vindplaats:  links: spits afkomstig van  een pad in het Jolderenbos te Oudemirdum,  (feitelijk is dit pad gelegen recht tegenover de basisschool Wâlikker, aldus gelegen op de eroderende noord helling van het Jolderenbos - 'plateau'); vondst door Jimmy Groen  en rechts een uit de stuwwal van Bakhuizen afkomstige gesteelde en gevleugelde spits, vondst van Dhr. Miedema.
Opmerkingen:  Deze spitsen verschillen wezenlijk van elkaar doordat de linker spits ongesteeld en uitsluitend gevleugeld is. De linker spits is laat Neolithisch, de rechter spits uit vroege Bronstijd  
de laatste kan worden ingedeeld volgens Subtype Type ET 8b: Elongated tanged arrowheads with medium sized barbs (barbs and tang are equally long) ( Langwerpige gesteelde spitsen met lange vleugels, waarbij de vleugels even lang zijn als de steel). Zie ook als vergelijking bv. Liefferinge, N. van,  (2013) Neolithic and Bronze Age arrowheads (n=30) from Belgian surface sites (NVL collection),  Quadriga 15, 2013 PDF

voor - en achterzijde spits Jolderenbos

Zie voor vergelijkbare spits uit GB, PAS Unique ID: LVPL-0400F7 en Unique ID: SWYOR-D063F2

===============================================  

Materiaal: vuursteen, een harde ondoorzichtige witgrijze vuursteen, lokaal voorkomend in de omgeving Oudemirdum.
Periode : Mesolithicum - vroege  Bronstijd ( -8000 tot 2200 v.C.)
Vindplaats:   Oudemirdum Fonteinwei
Opmerkingen: Dit artefact werd gevonden op een pad (zuidhelling, wit zand). Het betreft hier een kling met een ventrale, transversaal geplaatst litteken en dorsaal een zgn. 'step' beschadiging, beide tekenen van vuursteenbewerking. Door de schuine afknotting zou het artefact in het Laat Mesolithicum kunnen worden geplaatst.
===============================================  


Materiaal: vuursteen, welke is zwart en ondoorzichtig, goede kwaliteit.
Periode : Neolithicum - Bronstijd (ca - 5500 tot 2200 v. C. )
Vindplaats:   Oudemirdum Hege Bouwen
Opmerkingen: Het betreft hier een kernsteen met twee parallelle afslagen, waarin slaggolven zichtbaar zijn. Het slagvlak toont een slagpunt, maar geen slagbult.
  
===============================================  


Materiaal: vuursteen, een ondoorzichtige zwart tot zeer donkerbruine vuursteen soort, waarschijnlijk van lokale herkomst
Periode : Neolithicum - Bronstijd  (ca - 5500 tot 2200 v. C. )
Vindplaats:  Oudemirdum Liemerige Wei
Opmerkingen: Het betreft hier  een convergent schraper of opzet voor een spits, vervaardigd uit zwart vuursteen,welke vuursteen dus  vermoedelijk niet lokaal voorkomend is. De randen van het artefact zijn door middel van een grove secundaire bewerking onder schuine hoek aangescherpt. Een lichte patina (glans) is over het hele oppervlak zichtbaar.
=============================================== 

Materiaal: vuursteen, een beige bruine half doorschijnende vuursteensoort, waarschijnlijk van lokale herkomst
Periode : Neolithicum - Bronstijd  (ca - 5500 tot 2200 v. C. )
Vindplaats:  HB2, Oudemirdum Hege Bouwen
Opmerkingen: Dit is een geretoucheerde afslag met geprolongeerde slagbult, slaggolven en inslagpunt. De zijden zijn fijn geretoucheerd en vertonen naast beschadigingen een vorm van mogelijke gebruik- retouche.Deze afslag toont vrij vers, en zou mogelijk uit de Vroege tot zelfs Midden Bronstijd kunnen stammen.
=============================================== 

Materiaal: vuursteen, een half doorschijnende beige grijs bruine  vuursteen , waarschijnlijk van lokale herkomst.
Periode : Neolithicum - Bronstijd  (ca - 5500 tot 2200 v. C. )
Vindplaats:  ORS, Oudemirdum 
Opmerkingen: Het gaat hier om een geretoucheerde afslag, waarop drie uitgesproken afslag negatieven zichtbaar zijn, met duidelijke slaggolven, deze kleine afslagen zijn waarschijnlijk met een stuk gewei weggenomen.  Mogelijk is dit artefact  een reststuk, waarbij het in de 'chaine opératoire' dus al is gewijzigd van kernsteen in eindschraper op afslag. Een deel van de  oorspronkelijke cortex is nog op een zijde aanwezig, welke zijde de hand beschermd tijdens het werk (geen scherpe rand) en aldus handvat diende..


===============================================
Materiaal: vuursteen, diverse soorten van lokale herkomst
Periode : Neolithicum Trechterbeker cultuur (ca 3600- ca 3000 v. C. )
Vindplaats:  ORS, Oudemirdum 
Opmerkingen: Het betreft hier steeds op de randen geretoucheerde afslagen, geretoucheerde stekers en schrapers (11 en 12 zijn uitgesproken boren). Al deze artefacten zijn gevonden op één locatie en weerspiegelen activiteiten van gebruik in  een jachtkamp (functie: snijden, schrapen, doorboren; werkzaamheden: bijwerken van de jachtuitrusting, bewerken van natuurlijk materiaal zoals hout/ bot/ huiden voor direct gebruik). 
Opmerking: Later zullen uitvergrotingen van deze artefacten op deze pagina worden geplaatst. 

=============================================== 

Laatste update 02-03-2015
Er volgen meerdere updates in de loop van 2015 , speciaal het onverwerkte materiaal wordt nog gepubliceerd, het loont de moeite om na een aantal maanden nog eens te controleren of er nieuw materiaal is gepubliceerd.

No comments:

Post a Comment